19-10-2009

de groeispurt

De bel galmde luid door het ijzeren halletje. De klapdeur hinkelde in zijn scharnieren. Ik zat net lekker aan mijn brief te schrijven - zondagmiddag, met een vieze regenboog - dus gestoord keek ik op van de typmachine en klakte mijn tanden tegen elkaar van ingehouden irritatie. Ik schommelde naar de voordeur en spiekte op mijn tenen door het raampje. Pal voor mijn deur stond een grote, kale man te snikken.
Met een grote zwaai opende ik de deur, orchestraal bijna, alsof ik verwachtte dat het orkest enkele begeleidende tonen zou spelen. Het bleef ijzig stil en mijn grote gebaar maakte weinig indruk. De man keek niet op of om, maar bleef zeurend staan huilen op mijn opstapje.
"Zeg kerel, wat moet dat hier voor mijn deur? Je verpest mijn tranquille zondagmiddag met je gesnotter! Nou? Zeg op!"
De man keek mij aan en ik schrok mij het apelazerus. Zijn gezicht zat vol bulten en over zijn wangen liepen grote, groene aderen. Midden in de pupillen van zijn geelblauwe ogen zaten twee grote spelden met rode knopjes.
"Manfred, jij bent het toch, Manfred? Ik voel me niet goed, Manfred, Marijke heeft me verlaten, ze zei tegen me: jij interesseert je niets in mij, jij voert alleen die grote vissen van je, de hele dag sta je naar die vissekom van je te kijken, geen nanoseconde aandacht voor mij heb je, je praat niet met me, je geeft me geen complimentjes, je merkt het niet als ik een nieuw kapsel heb en als ik het je vertel zeg je dat het er precies hetzelfde uit ziet, ik ga weg, bekijk het maar, ik stap in de eerste de beste auto die voorbij rijdt, ik ga naar Rusland, je zoekt het maar uit! Manfred ik voelde me zo godvergeten alleen, ik voelde me zo verlaten dat ik mijzelf van de trap afgegooid heb, vandaar die bulten, en Manfred ik landde midden in het naaidoosje van tante Sien, Manfred vandaar die spelden in mijn oog, en die opgezwollen aderen komen van mijn gebroken hart Manfred, oh Manfred!"
Ik had werkelijk geen idee wie Manfred was. Misschien was het mijn buurman, dacht ik. Maar deze blinde, gebroken man kon ik toch niet op mijn opstapje laten staan? Ik nodigde hem uit voor een kopje thee, terwijl ik er mijn best op deed om Manfred te zijn. Eenmaal aan de keukentafel begon de man zijn zakken leeg te halen: alles wat er uit kwam gooide hij op tafel neer. Ik typte inmiddels vol ijver verder aan mijn brief, die ik toch echt af moest maken. Tussendoor maakte ik geruststellende opmerkingen.
Toen ik op pagina 3 was, klonk wederom de bel. Enigszins verbaasd was ik wel, want op zondag krijg ik zelden bezoek dat ik niet verwacht: maar ik excuseerde mij en liep voor de tweede keer die dag de gang af. Dit keek ik niet door het raampje en opende ik de deur beheerst.
In mijn voortuintje was een vrouw druk in de weer met filmapparatuur. Vinnig draaide ze zich om en staarde mij een tijdje recht in mijn gezicht.
"Heeft u er problemen mee als ik een openlucht-theater installeer in uw tuin?", vroeg de vrouw, alsof ze het antwoord al wist. Het was een mooie vrouw met een stevige kont en twee flinke borsten, die heen en weer schommelden over mijn fietsenrekje. Misschien weten mooie vrouwen altijd al het antwoord op de vraag die ze stellen.
"Nee hoor, mevrouw", zei ik galant. "Kan ik u ergens mee helpen? Heeft u hulp nodig met het ophangen van het scherm?", vroeg ik. De vrouw schudde van nee. "Ik ben hier zo klaar," zei ze en ze wiebelde een beetje met haar billen, terwijl ze worstelde met een verlengsnoer.
Ik was blij dat de situatie onder controle was - ik weet ook niks van filmapparatuur, trouwens. Ik liep terug naar de keuken en sjorde de man uit mijn keukenstoel. Hij had wat oogvocht gemorst op de kraag van zijn blouse, maar verder was hij prima in orde. Ik begeleidde hem naar mijn voortuin en zette hem neer op een stoel. Zelf pakte ik een krukje.
De vrouw keek mij vragend aan. Ik knikte. Toen drukte ze op een grote, rode knop. De film begon.

09-10-2009

automatic writing I

test test test

"have yourself a marry little christmas now", konijnenbout met raviolisalade ingepakt met voorzichtige vingers aan elke hand. van nu af aan vertrekken mijn kanariepietjes zeker zonder zorgen uit het land van de blues, kussen hun moeders goedendag op de wang en vegen dan hun handen af aan hun spijkerbroekzakken. kaviaren katers & kevers kotsen op de stoep van de straat in de wijk van de stad met hun hoge ogen blauw in de verte, zonneschijn op hun bol.

versterkte venus en achterlijke aphrodite lopen over gouden bogen chocolade, in fijne rondingen gehuld. het is een hype op dat moment om mobieltjes in een condoom op te bergen. regendruppels van waterige sieraden vangen hun aandacht in een vage gloed. het kabinet vol tegenslagen verzamelt buiten op een veilige afstand van de rommelende vulkaan, en verrekkend van de kou kauwen ze op balpennen tot de splinters in hun mond vermalen zijn.
vadertje tijd plukt de losse haren uit zijn baard en strekt zich uit op een grote kartonnen stoel die hij vannacht op internet geruild heeft tegen een wekker. "waarachtig," spreken nonnen in de laatste fase van hun leven, "wat een nonsens verkondigde onze heilige Vader vanmorgen in de speeltuin".

waterminnen ploeteren tegen een stroom van rioolwater in met hun zilveren vleugels ingeklapt. plakband houdt het moraal van de ridder in het zwarte pak bij elkaar. vazen met bloemen vallen kapot op de straatstenen naast het hoofd van onze protagonist. geschreeuw op elke straathoek passeert in een ogenblik.
indrukwekkende olifanten schaken met hun hoofd in de handen, zuchtend onder het gewicht van hun eigen massa - mijn eigen vlinderverzameling fladdert op vanuit de houten dozen en maakt mijn kamer rood en prikkelend & waar zijn alle mensen die mijn achterlijke nichtje verzorgen op een zondagmiddag in mei?

stralen slaan op de stalen kleiformaties in de tuin van mijn buurman & mijn achterneefje pist achteloos in de afgoot.. sterke drank vloeit rijkelijk over de buiken van de magere meisjes in het schip van Magere Hein dat over hoge golven zeilt ondanks het noodweer & paraplu's bobbelen op en neer in de winkelstraat waar de prijzen maar weinig indruk maken.. Cassandra pulkt aan de opening van Pandora's doos & mompelt verslagen matige sprookjes bloedend, verkoelend, kapot van schaamte... kanonnen schieten vlaggen met boodschappen over de grens. mijn maag protesteert midden op de weg naar eindeloze slaap...

Nee mijn Hangende haar Verzorg ik nu met shampoo van groene schapen uit ijsland, kapotte karretjes rijden automatisch over de zorgtoeslag heen en kantelen gevaarlijk hellend over de treinrails waar de stenen voorbij zoeven. Hangende tuinen van Babylon groeien de spuigaten uit en waar is de heggeschaar verstopt?
moeten wij dan altijd roepen als wij vinden dat iets fout zit - moeten kleine kinderen zelf over straat naar de snoepwinkel of kunnen we dat laten bezorgen door wagens vol politieagenten, zwaaiend met hun knuppels het snoepgoed bewakend - valse gedachten spoken in de kamer van de directeur van de schoothoop & zijn hangende haar valt met plukken op de gore vloer uiteen terwijl hij krabt aan zijn korrelige neus met nagels zo lang als Achilles' speren...

telegram voor de heer Doolaard

jeeps ik zit in de penarie stop stuur een paar schoenen met rode lintjes stop
feestje bij stop-aids-now stop ik lap het aan mijn laars stop groet gaya

02-10-2009

parkwachterspakjes

Het gordijn in mijn kamer wiegde in de wind, zodat het zonlicht in golfjes naar binnen stroomde. Ik lag op mijn rug, met mijn ogen dicht, en neuriede wat voor me uit. Gedachtes schoven langs als wolken; in de grijstinten herkende ik hier en daar flarden van vrienden en gebeurtenissen.

Een lage, harde trilling schokte mij ineens uit mijn overpeinzingen. Fraaie wolkenpartijen schoten door elkaar heen als inktvlekken, losten toen op; en enigszins afgeleid keek ik naar mijn plafond, terwijl de slaap zijn deken van mij af rolde. Een schilderijtje van mijn tante Marie schoof zachtjes langs de muur naar beneden en stootte de vaas met gele bloemen om, zodat ik een koude plens plantenwater in mijn nek kreeg. Tijd om op te staan.

Terwijl ik een toastje stond te smeren in de keuken begon ik opeens op een vreemde manier te dansen. Mijn knieën bogen door en maakten slingerende patronen, terwijl ik mijn armen op en neer gooide alsof er elastiekjes aan mijn ellebogen zaten. Het toastje met jam belandde met een glorieuze boog in de pan erwtensoep en verzonk pruttelend in de groene smurrie. Intussen werd ik door mijn spastische chickendance de huis uit geleid; het stopte pas op de drempel van "In Den Blije Belg", het dorpscafé waar ik nooit naar binnen ging. Dit keer kon ik wel wel een borrel of twee gebruiken.

Binnen was het warm en rokerig. De verlichting was bruinrood, net als de barstoelen en de barman zelf, die onrustig heen en weer liep met een vieze lap. Nadat ik een dubbele jonge jenever besteld had, barstte hij los.
"Jopen, jopen, wat een dag! Mijn wijffie heeft me flink gedroepeerd, en nu zit ik met de balen. Wat moet ik godverdegodver aan met die knalpot? Niet alleen hangt mijn ziel aan haar haak, ook mijn hart zit in de knoop!" Hij zuchtte eens flink.
"Luister, Joop", zei ik, nadat ik een flinke slok van mijn borrel genomen had, en mij stevig ingeleefd had in de situatie. "Je zit in een hopeloos parket. Verkoop de kroeg aan mij en neem je vrouw mee op een reis naar Servië. En geef me nog een borrel."
De arme barman was nu in tweestrijd. Uiteindelijk schonk hij mij een tweede borrel in. Ik zag dat hij aan beide handen maar vier vingers had: toch zag het er natuurlijk uit, alsof een vijfde vinger bij hem overbodig zou zijn.
"Gped dan," zuchtte de barman, "ik verkppp je de krpeg. Kpm de sleutels mprgen maar halen. Mmblblbmbl." Van verdriet kreeg hij zijn mond bijna niet meer open. Hij probeerde er nog wat aan te trekken met zijn vreemde handen, maar er was geen beweging in te krijgen.

"Oké Joop, ik zie je morgen", zei ik, en ik liep de donkere kroeg uit. Op straat waaide een straffe oostenwind. Een paartje van een jaar of 50 kwam langshollen, terwijl hun paarse sjaals om hun hoofden wapperden. Ik riep ze een vies woord na, dat gelukkig met in de wind verwaaide.

09-05-2009

plot

parijs

in parijs is een vogeltentoonstelling van wereldformaat. mensen vliegen van heinde en verre naar de extravagante fashion capital of the world, waar het water smaakt naar wijn en jacques brel op elk terras een biertje proost, om te kijken en luisteren naar deze magnifieke verzameling dieren. onder de echt zeldzame exemplaren bevinden zich de groothoekige koekoek, de vaalkleurige ara en de potsierlijke koningsduif, maar het meeste aandacht onder het publiek - dagjesvolk dat geen kijk heeft op zeldzaamheid, maar meer aandacht heeft voor spektakel - trekt de zwerm pikzwarte struisvogels, die achter glazen ramen statig heen en weer struinen met de kin omhoog - de opvallend rode ogen over de onrustig gonzende massa heen schietend.

avignon

de zwervers kotsen in de goten van avignon, zodat de geulen van de straten volslibben met geelbruine, zurige derrie. fabrikanten van hoge hakken doen opeens goede zaken. avignon is het centrum van de zonne-energie en bovendien heeft het een rijke traditie in gepocheerde eieren. het vaticaan schijnt er elk jaar duizend kilo gepocheerde eieren te bestellen, waar de paus op paasochtend in rondzwemt als een pasgeboren eendje. daarna vegen elf koorknaapjes zijn rimpelige eierlichaam schoon met doeken van goudgestikt lammetjeswol. vorig jaar was er tijdens de heilige paasmis een stukje ei in de linkerooghoek van de paus blijven steken - een gelegenheid die de roddelpers gulzig aangreep voor het maken van de meest obscene woordgrappen.

barcelona

de horizon is oranje zanderig en hordes paarden galloperen schuimbekkend over de dunne stroken strand, dagen elkaar uit, sprinten een stukje vooruit, vallen weer terug in het peleton. hun manen flakkeren in de zacht klapperende wind op onvoelbare ritmes. hand in hand loopt een stelletje in strandkledij over de duinheuveltjes, en terwijl zij zachtjes woordjes in zijn oor fluistert knijpt hij haar ongemerkt in haar billen. de zee schuimt rustig witblauw op en neer en maakt zich op voor een dreigende, verzwelgende finale.

09-04-2009

you're as porous as ever (?)

Graatmagere vrouwtjes dansen op aboriginalritmes door mijn kleine kamertje heen. Zwaaiend met hun armen maken ze wilde rondes, en hun benen schieten onder hen uit als elastiekjes. De stereoset staat op zijn aller, allerhardst en de buren bonken al enige tijd ritmisch mee op de oerwouddrums, maar één van de vrouwtjes houdt mijn armen op mijn rug, terwijl een ander, een opvallend harig typ, de draaiknop van de versterker krijsend nog verder naar rechts probeert te duwen. Voor mijn gevoel zijn ze hier nu al een eeuwigheid mee bezig - maar ik in werkelijkheid, zie ik, zijn we pas op 3:46 van het tweede nummer.

In het midden van die exotische heksenkring staat de kat van mijn vriendin glazig in de lucht te staren. Zelfs als één van de woest dansende wijfjes hem bestrooit met een mysterieus zilveren poeder lijkt het beestje niet echt onder de indruk. Alle hoofden, stuk voor stuk gerimpeld en versleten, worden nu in de nek gelegd; en terwijl ze met lange, vieze nagels tot bloedens toe over hun keel schrapen komt er uit het twintigtal verschrompelde mondjes een luide, gelaagde klaagzang die door merg en been snijdt. Al snel bloeden ze allemaal als runderen en plassen ze rond in een ronde rivier van bloed, terwijl de bloedspetters vettig tegen de muur plakken.

Ik word overeind gesjord. Een hese stem sist in mijn linkeroor: "Opstaan nu! Dans!". Ik laat die kans natuurlijk niet onbenut en geef het oudje achter me een venijnig hakje in haar kruis, ruk me los en beuk dwars door de dansende kring heen. Het mensje dat ik raak valt met een verbaasd gilletje achterover en ik hoor een vervelend krakend geluid, maar dan ben ik de kamer al uit. Ik vlieg het trappenhuis door en ren een paar honderd meter over straat op volle snelheid, tot ik achterom kijk en me realiseer dat niemand me op de hielen zit.

Uithijgend fatsioneer ik de boord van mijn overhemd. Weer een geluk, dat die half doodgebloedde oude lijken me niet met zijn allen achterna komen lopen. Maar het zal er wel weer op uitdraaien dat ik voor mijn vriendin een nieuwe kat moet kopen.

21-02-2009

chalice

Vrolijk - het was immers vroeg op de zondagmiddag - liep ik door het bos, dat begint in mijn achtertuin. De lage winterzon deed het pad van natte, bruine bladeren glinsteren en ik voelde mij voor een moment bevrijd van de krioelende stad, zijn lawaai en uitlaatgassen. Ik stak mijn handen in de zakken van mijn kaki blazer en keek nog eens om mij heen. De bomen van het bos stonden in kale, rechte rijen naast elkaar, zodat ik nu eens tegen een dichte haag hout aankeek, dan weer dwars door het bos heen; maar het mathematische van die opstelling werd hier en daar gelukkig verstoord door een halfomgevallen, kromgegroeide boom of een verlaten vogelnest in kale, dunne takken. Iets het bos in, niet ver van het pad af, cirkelde een dun pluimpje smog uit de de humusgrond omhoog. Grinnikend om de eigenzinnigheid van de natuur keek ik mezelf aan in de reflectie van een flinke modderplas.

Na een minuut of wat kwam ik aan de rand van het bos, waar het paadje vervaagde in de oever van een klein poldermeer. De wind trok aan de grijsbruine rietpalmen langs de kant en deed het kleurloze water zachtjes golven. Twee futen begroetten elkaar in het kroos met lange, zachte uithalen; aan de rand van het water, tussen het riet, zat een man met een hoed aandachtig naar zijn dobber te staren, die felroodplastic opstak tegen de waterhorizon.

Ik zette mij in kleermakerszit naast hem neer. "Goedemiddag, willen ze bijten?", begon ik een gesprek, maar ik had er meteen spijt van toen de man zich half omdraaide en de wenkbrauwen boven zijn melkwitte ogen samentrok. "Geen idee..", mompelde hij peinzend, alsof iemand hem iets vroeg over een droom. Zijn blinde ogen schoten over het water, en er viel een lange stilte. De futen dobberden langzaam weg, totdat ze uit het zicht verdwenen waren. Een lui briesje streelde langs mijn wang, terwijl de zon mij van bovenaf aangenaam bescheen; en ik moet met schaamte bekennen dat ik misschien even wegdoezelde.

Mijn halfslaap werd echter ruw verstoord door een luid gevloek en een hoop geplons. Ik schoot wakker van het lawaai en ik proefde een vage koffiesmaak in mijn mond; maar ik had weinig tijd om daar aandacht aan te besteden. Het rood aangelopen hoofd van de blinde visser lag naast mijn voeten, terwijl hij zich met zijn armen vastgeklampte aan wat rietstengels. "Help, verdomme!", riep hij, en ik greep hem zo goed ik kon beet. Ik zette mij schrap, en met aanzienlijke moeite kreeg ik hem vrij snel weer aan de kant, terwijl hij wild spartelde. Ik plofte naast hem neer in het modderige gras.

Mijn bruine streepjesbroek was doorweekt en ik was buiten adem. Naast me hoorde ik de visser zwaar en schor ademhalen; hij zat onder de modder, maar het leek erop dat hij ongehavend was. "Dankje", fluisterde hij en hij streelde met beide handen over zijn rechterenkel. "Geen probleem", antwoordde ik, want wist niet precies wat ik terug moest zeggen. Hij draaide zijn hoofd naar het geluid en terwijl hij naar mijn rechteroor keek trok hij een vege frons. "Het is uitkijken in dit tijdsgewricht, als je rustig vissen wilt", adviseerde hij mij. "Ik heb er genoeg van. Hier", en nu schoof hij mij zijn hengel in de handen, "en neem mijn stoeltje ook maar. Ik schei ermee uit." Toen krabbelde hij op en hinkte verrassend soepel het bos in.

Een beetje licht in het hoofd keek ik naar de hengel in mijn hand. Hij woog zwaar, maar dat voelde niet onprettig; hij was misschien van een soort staal. Het was al een tijd geleden, dat ik gevist had. Vroeger, als kind, had ik er in lange zomervakanties nog wel eens wat zonovergoten dagen mee gesleten, turend naar de sloot voor de deur. En nu? Moest ik nu, door omstandigheden gedwongen, de rest van mijn zondagmiddag langs de waterkant doorbrengen, als een wachttoren, als een rechter van het water, uitkijkend over het grauwe meer? En besluiteloos vlijde ik mij neer op het stoeltje van de visser.

24-01-2009

Ies time to eat a k-k-kraasy amount of meat

'Hallo! Hallo! Aandacht!' schreeuwt mijn buik in mijn hoofd, terwijl ik rustig verder schrijf aan mijn reisblog. Het wordt een weer een mooi verhaal van 5 en een half A4-tje, waarin ik uitvoerig verslag doe van mijn laatste wandeling door de duinen van België. Weetje, ik heb een hekel aan mensen die het internet volstouwen met hun onboeiende verslagen; daarom schrijf ik zelf net iets anders. Net iets smeuïger, net iets gedetailleerder, met net iets meer vloeiend gevoel en hier en daar voeg ik zelfs een digitale foto toe (dat laatste heb ik geleerd van mijn kleindochter). Mijn trouwe lezersschare geniet dan ook werkelijk van hetgeen ik verhaal - vaak genoeg reageert één van mijn oude vrienden, waarvan ik niet eens wist dat hij meelas, met een aanmoedigend 'het was weer mooi' of 'wat klinkt dat geweldig, zeg' of juist 'sterkte, Henk' en 'zet hem op, Henk'. Ik laat de mensen meegenieten met mijn reis, en ze genieten ook echt, zoveel is mij wel duidelijk.

Zoals laatst, toen ik beschreef hoe het dan voelt om wakker te worden in je slaapzak op een Belgische zandrug, met een prikkelend lentezonnetje op je netvlies; dat je met wat moeite opstaat en dat de ruige wind het zand om je oren snijdt; dat ik alleen nog een zielig rolletje beschuit had met een plakje kaas uit de plaatselijke Belgische supermarkt, en dat ik een meeuw druk schreeuwend tegen de wind in zag worstelen zonder dat het mij erg nuttig leek, aan de hand waarvan ik een metafoor voor het leven uitwerkte. Het is ongelofelijk hoeveel inzicht in simpele zaken je krijgt door er gewoon op uit te trekken met een slaapzak en een flinke dosis doorzettingsvermogen. De plekken waar je uiteindelijk terecht komt! De vrienden die je maakt in de kroegjes, waar iedereen tot vier uur 's nachts blijft hangen omdat de vrouw snurkt! Dat soort figuren geef ik altijd een rondje, want mijn Geertrude, God hebbe haar ziel, had daar ook een handje van, dus ik weet hoe dat is. Als ik een kroeg binnenstap en de Belgische boerenkerels staan in de rij om me te vertellen van hun boerende, snurkende, dikke, walgelijk vette vrouwen, dan weet ik dat ik te lang op één plek gebleven ben.

Ach ja, het leven van de reiziger - van dorp naar dorp, altijd nieuwe gezichten, altijd nieuwe situaties, belevenissen. De hoogtepunten hoef ik hier voor de echt trouwe lezers natuurlijk niet te herhalen - hé Jan, trouwens, als je dit leest, succes morgen! - maar voor de goede orde noem ik mijn confrontatie met de dronken straatmuzikant, die ene keer dat ik de weg kwijt raakte midden in de nacht, of wat dacht je van toen mijn slaapzak nat was van de regen en er in de verre omtrek geen hostelletje te bekennen was? Maar je slaat je er doorheen, je leert doorzetten, je verhardt van binnen en van buiten, en achteraf zie je het mooie er toch wel van in. Je doet het niet voor niets, zo'n reis.
Ik ben nu een maand of vijf onderweg en elke dag schrijf ik een reislog op mijn mini-laptopje. Alles wat ik meemaak staat meteen de volgende dag op internet, en nee! het is niet zo, dat ik alleen maar wat slap aan het lullen ben, omdat ik eigenlijk niks heb, om over te schrijven: je zou eerder kunnen zeggen dat ik, omdat ik weet dat er elke dag een stukje van mij verwacht wordt - die verplichting heb ik mezelf nu eenmaal opgelegd - ik gevoeliger geworden ben voor de kleine gebeurtenisjes, de kleine opmerkelijkheidjes, de kleine feitjes, en ik dus meer geniet van het leven, van elk moment, omdat ik mij overal bij afvraag: kan ik hierover bloggen? Is dit de moeite waard voor het lezend publiek? Vaak is het antwoord dan: ja.
Maar vaak genoeg is het antwoord natuurlijk: nee. Ik heb bijvoorbeeld nooit verteld over mijn lichamelijke gebreken, tenzij het echt onverdragelijk werd, en ik heb nooit uitgeweid over de flora in de duinen, terwijl ik daar toch een hoop verstand van heb. Ik moet elke dag minstens één keer mijn ontlasting kwijt en in de Belgische duinen is dat heus een hele uitdaging - ik had mijn eerste vijf bloggen gemakkelijk kunnen vullen met hoe ik uitvond dat je goed rekening moet houden met de stand van de wind, en waarom het handig is om vantevoren een kuiltje te graven, maar dat soort onderwerpen heb ik nooit nodig gehad om mijn reisblog te vullen. Er gebeuren zoveel interessante dingen, dat ik het onderwerp van mijn ontlasting tot nu toe gemakkelijk heb kunnen omzeilen.

Ik vraag mij af hoe ik straks ontvangen word als ik weer thuiskom, na een krap half jaar: ik denk heus niet dat mensen mij lauweren en verklaren tot godheid, maar inmiddels heb ik natuurlijk wel een heus reis-boekwerk bij elkaar geschreven. Als het aanslaat, en dat ga ik natuurlijk eerst even peilen, zit ik er wel over na te denken om het uit te geven. Ik heb ook al een titel bedacht: "Henk ter Kamp verslaat de Belgische Duinen". Recht toe recht aan, met toch een zinspeling op een dubbele betekenis, die niet ver van de waarheid ligt: want het is een waar gevecht met de duinen geweest, een strijd met de natuur; een strijd die ik tot in de puntjes opgetekend heb in mijn reisblog.

05-01-2009

Ah-Leu-Cha

Mijn ouders?
Om maar meteen met de boot in huis te vallen; mijn vader overleed op vijfentwintig-jarige leeftijd. Hij was veertig geweest toen ik ter wereld kwam - mijn moeder had wat sperma ingevroren in een tupperware-doosje en het handmatig ingebracht op zijn vijftiende sterfdag. Piet, zo heette hij. Het schijnt een excentrieke man geweest te zijn - behalve dat hij zijn geboortedatum op zijn voorhoofd getattooeerd had, volgens hemzelf om 'niets dan esthetische' redenen, dronk hij elke ochtend een glas bier met twee rauwe eieren en schoor hij zich nooit. Iedereen die wel eens een ei naar binnen geslobberd heeft weet, wat voor troep dat geeft: de stekelige, zwarte baard van mijn vader was tijdens zijn leven dan ook compleet aan elkaar geklit en geglazuurd met een filter van eiwit. Als ik oude foto's van hem bekijk bekruipt mij dan ook altijd het idee, dat iemand met Photoshop een indrukwekkende, met brilliantine verzadigde hanenkam op zijn kin geplakt heeft.

Mijn moeder heeft me alleen opgevoed, en ik herinner mij haar als een zelfstandige, enigszins mollige vrouw met een nadrukkelijk aanwezige boezem die, ondanks de indrukwekkende welvingen, toch nooit de lust van de alleenstaande vaders op heeft kunnen wekken.
Alleenstaande vaders zijn de werkelijk wanhopige mannen in onze samenleving, die hun tijd voornamelijk lijken te vullen met het afstruinen van het schoolplein - op zoek naar vrouwelijk gezelschap. De meest wonderlijke kortstondige relaties vinden hun oorsprong op het schoolplein: vaders met juffies, vaders met moeders, vaders met dochters, vaders met vriendinnetjes, zelfs vaders met vaders en vaders met congierges. Maar mijn moeder hebben de vaders nooit aangekeken, laat staan aangeraakt; want ook al was mijn moeder innerlijk een schat van een vrouw (en was haar decolleté niet te versmaden), haar grauwe rouwkleding, met tranen doorlopen make-up en fors gebulte onderkin is altijd als een groteske vogelverschrikker geweest voor de vlerken van die verlopen, doorgeilde mannetjes.

Ja, doorlopen, want huilen deed mijn moeder veel: ik groeide op met een tafereel dat kleine kinderen eigenlijk alleen horen te zien, als hun moeder in de keuken bezig is met het bereiden van een flinke uientaart. Nooit heb ik iemand anders gekend, die zoveel huilde. Op doktersadvies dronk zij per dag een liter of tien aan gesteriliseerd water, simpelweg om uitdroging tegen te gaan. Dikwijls kocht ze ook donkerrode rozen ('zijn lievelings', hoewel men zich terecht kan afvragen of dát nu speciaal getuigt van een individuele smaak die nabestaanden moeten koesteren) om in zijn rouwkamer bij te zetten. De rouwkamer besloeg de helft van de begane grond van een bescheiden rijtjeswoning in Laren, Gelderland, en stond vol met ingelijste foto's van mijn wijle vader op posterformaat en allerhande paraphernalia.

Maar het meest belangrijk - voor háár tenminste - waren de rozen. Het was werkelijk of ze dacht, dat de bloemenman aflaten verkocht. En aangezien ze er geregeld rozen bij legde, maar er nimmer rozen weghaalde ('ze zijn nu van Piet'), vormde er zich in de eerste tien jaar van mijn jeugd een onaantrekkelijke, zwartscharlaken composthoop - en omdat ik er als knul stellig van overtuigd was dat mijn vader daadwerkelijk daaronder begraven lag, concludeerde ik al snel dat die compostgeur dan wel van zijn rottende lijk moest zijn. Misschien ligt hier dan de knop van mijn later ontloken bloemenfobie; het behoeft misschien weinig uitleg dat ik, terwijl mijn moeder op haar knieën de doornen van de steeltjes knipte, mijn jeugd grotendeels buitenspelend heb doorgebracht.
Hoe het ook zij, op een prille herfstavond, toen ik een jaar of tien was, kwam ik thuis en vond ik mijn moeder met uitgestrekte ledenmaten en overdwars doorgesneden polsen bovenop die berg rozenmest, die een beetje meegaf, als een groot, donzen kussen. Een macaber detail dat ik me nog herinner, is dat haar afgebeten tong als een lapje suddervlees over haar linkerborst uitgespreid lag. Later heb ik wel eens gelezen dat sommige personen in hun doodsstrijd zo paniekerig kunnen raken, dat ze hun kaken stuiptrekkend op elkaar kunnen klemmen met een kracht die we verder in de Natuur alleen aantreffen bij de zwarte kaaiman, die zijn forse prooien moeiteloos in één knauw doormidden kapt.

Mijn moeder kreeg, net als mijn vader, een slechtbezochte, fantasieloze crematie. De rook steeg op uit een schoorsteen en verdween meteen in de dichte mist die daar over Laren uitgerold lag, en de as kreeg ik mee naar huis in een potje. Het verspreidt nog steeds die raadselachtige, zoete geur van goedkope rode rozen, naar aanleiding waarvan mijn vriendin mijn moeder nog wel eens spottend omschrijft als 'die doos potpourri'.

23-12-2008

cabin door

tegen het doktersadvies in besloot ik gisternacht een frisse neus te halen in het parkje om de hoek. ik wankelde uit mijn knoflookbed en schoot mijn schoenen aan. de dikke sjaal, die ik vorig jaar van tante jo gekregen had, kon nu eindelijk eens dienst doen. het vroor buiten.

opgelucht stapte ik voor het eerst in drie maanden de drempel van mijn voordeur over, en ik hief mijn neus fier omhoog, terwijl ik inademde als - nouja, een beetje zoals amerikaanse acteur die speelt, dat hij net de gevangenis uitkomt.
ik rilde en drukte mijn kin dieper in de groene sjaal van tante. het parkje was niet zo erg ver weg, en vol goede moed sloeg ik rechtsaf. de lampen van de lantarenpalen gloeiden gelig op hun paaltjes en beschenen gezellig de ijzelige straatstenen.
ik liep in het midden van de stoep. er was verder toch niemand op straat - hoe laat het was? een uur of drie 's nachts, denk ik toch wel. mijn ritme was door mijn bedlegerigheid zodanig verstoort, dat ik dag en nacht niet meer uit elkaar kon houden. de afgelopen maanden waren verstreken in het soort halfduister waarin alles in elkaar verglijdt.

plots sloeg er een goedgeklede man de hoek om. zijn hakken klakten tikkend op de tegels, en met zijn verschijnen startte plotseling ook een droog geklap, dat al snel aan zwol tot een fors applaus. nu zag ik dat hij een radio met zich mee droeg, waaruit het luide applaus klonk. ik stokte in mijn gang, maar hij liep zelfverzekerd rechtdoor - snel sprong ik aan de kant, want ik had de indruk, dat hij recht door mij heen lopen zou. het applaus uit de radio was nu verrassend hard en enthousiast geworden. hij keurde mij geen blik waardig toen hij mij passeerde, en verbaasd bleef ik hem nakijken. daarna doofde het geluid van applaus langzaam uit, als op het einde van een langspeelplaat.

twijfelend vervolgde ik mijn weg. had ik misschien niet de goede nacht uitgekozen voor zo'n nachtelijke promenade? peinzend keek ik naar de grond. tot mijn verbazing zag ik, dat ik op een rode loper liep. toen ik achterom keek, zag ik inderdaad een rode tapijtstreep om de hoek verdwijnen. blijkbaar had ik dat steeds niet opgemerkt; maar nu ik het eenmaal wist begon mijn verbeelding op te spelen. het was alsof ik met elke stap meer bleef plakken in het dikke, robijnen pluche, dat wel een soort zompige structuur leek te hebben.

hoe het ook zij, mijn wandelpas verloor iets aan tempo. misschien was het ook dat ik ongemerkt moe werd; mijn conditie was natuurlijk niet meer wat het geweest was. uiteindelijk kwam ik compleet tot stilstand - recht voor een kleine bioscoop, die ik daar tot nu toe eigenlijk nooit opgemerkt had. de rode loper maakte hier een hoek van negentig graden en werd afgekapt door een loket, waarachter een blond meisje achteloos haar nagels zat te vijlen.

'één kaartje alstublieft', stamelde ik.

'welke feature?' vroeg het meisje, kalm maar met een venijnige ondertoon, alsof zij liever haar nagels vijlde dan zich met mij bezig te houden - 'maakt niet zoveel uit', zei ik. 'draait er een natuurfilm ofzoiets? ik was eigenlijk op weg naar het parkje, ziet u.'
het meisje trok één wenkbrauw op, waardoor de laag make-up op haar voorhoofd kreukelde en de puisten eronder vandaan schoten. ik schatte haar een jaar of zestien.
'meneer komt voor de natuurfilm? zo..' schamperde ze. 'nou, dat is dan vier euro. het achterste zaaltje.' ik stopte haar snel een briefje van vijf toe en liep het bioscoopje binnen.

nu vond ik mij in een kleine, donkere gang waarvan de wanden geheel bekleed waren en het schaarse, paarsblauwe neonlicht van de zaalnummers mij in de ogen prikte. het leek rustig, uitgestorven zelfs. de vloer kraakte ongemakkelijk lang onder mijn gewicht en het geluid sneed dwars door de stilte. toen ik langs zaal drie liep, was ik dan ook opgelucht een hoop geroezemoes te horen. nieuwsgierig als altijd gluurde ik even naar binnen. tot mijn verbazing vertoonde het grote scherm een still uit een hitchcock-klassieker, terwijl de zaal verder geheel leeg was. op de stoelen stonden rijen blauwe druipkaarsen te branden.

ik voelde mij betrapt en besloot snel richting mijn zaal te lopen. aan het einde van het gangetje werd de ingang van zaal 8 groen verlicht, en het oploopje was versierd met knisperende riettakken: een beetje kitsch, maar toch niet smakeloos. met de slappe, trillende benen van een zieke liep ik het plastieken touwbruggetje op, dat over een wild stromende rivier van rondbewegende kartonnen borden gespannen was. ik hield mij stevig vast aan de linkerleuning en schuifelde langzaam de bioscoopzaal in.

27-11-2008

een metafoor natuurlijk

met eer protesteren de schuchtere dames.
het is een liefderijk protest.
ze hoeven zich nergens voor te excuseren.
op een verhoging - maar toch middenin het publiek - staat een dichter te proclameren. het publiek rond hem heen scandeert zijn uitroepen:
'koninginnen van de nacht, saam'gebolde levenskracht, peren appels en tomaten, allen zijn wij gods createn, dieper dan de vos in nood, prachtig in het ochtendrood, 't stralend bovenlijf ontbloot, ..'
waardige vrouwen met mysterieuze hoge hoeden boren diepe gaten in het asfalt met drilboren.
anderen trekken touw in gigantische aantallen. zacht zwoegend beweegt de massa heen en weer, alsof het een ingestudeerde dans is.
pantalons en sjerpen met leuzen sieren ronde lichamen. sommigen knippen plukken van hun lange haar en strooien het uit over de straattegels. flinterdunne lichtbakens zijn hun ogen. als een breinaald bewegen ze zich richting het grote plein.

"tsjikke tsjikke tsjikke
boem tsjikke tsjikke
boem tsjikke boem boem
sjikke sjikke sjikke sjikke.."

het is een maandagmiddag. mijn moeder staat te strijken. de radio staat aan. op radio 2 praat een man over problematiek. op het bed liggen vijf stapeltjes keurig gevouwen kleren. het ruikt fris. condens slaat op de hoekjes van de ramen. het waterige zonlicht valt in dunne lijntjes langs de zware, roodfluwelen gordijnen en spat uiteen op haar kastanjebruine haar. de strijkbout sist en knort over de witte overhemden. ze is al bijna klaar.