Posts tonen met het label verhaal ofzo. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verhaal ofzo. Alle posts tonen

17-03-2008

ploink

ergens
dat wil zeggen, vrij ver hiervandaan (of juist dichtbij: waar ben jij?)
en vooropgesteld dat iedereen zich even inleeft in dit verhaaltje
woont en kookt een simpele vrouw. zij heeft niet veel geld.
maarja, je kan niet alles hebben en bovendien, zo belangrijk is het niet om geld te hebben. het is wel zo dat als je geld hebt, de rest vanzelf komt - roem, faam, aandacht, lekkere wijven, auto's, vakanties, de dood, een biografie, een film met een semibekende acteur - maar als je weinig geld hebt is het leven tenminste nog spannend; romantisch; noodoplosing stapelt zich op noodoplossing; een beetje dat vieze-kleren-charmant-achtige dat mensen iets speciaals geeft, het tekent ze, rimpels op hun 40ste maar intens gelukkig, gastvrij, gebruind, gespierd, tanig, praatgraag, gezet, traag, met kippen en een geit op het erf en een wandelstok en een strooien hoedje voor buiten in de zon.
op een dag graaft deze vrouw een gat in haar tuin. misschien omdat ze zich verveelt. dacht je soms dat arme mensen zich nooit vervelen? (natuurlijk wel, net als soldaten in de eerste wereldoorlog. die verveelden zich ook, daar in die loopgraven. dag na dag wachten in de koude modder, beetje mensergerjenietten dan maar en dan ATTAQUE)

hoe dan ook, daar vindt ze een klein babytje. in het gat, in de tuin. niet nadat ze met die zware loden schep het kind keihard in de buik gehamerd heeft, trouwens. maarja. dat was omdat ze bezig was een gat te scheppen. hoe moest zij weten dat er daar een kindje zou liggen? is dat dan meteen haar schuld?
goed, het is nou eenmaal zo en ze heeft niet veel keus (?) dan het hevig bloedende kreng verder uit te graven, op te pakken en mee naar binnen te nemen. oei oei oei, het valt bijna uit elkaar van ellende en het bloed gutst werkelijk uit die langgerekte opengewerkte wond. niagra. gelukkig maakt het vrijwel geen geluid. wat gekerm. een piepend hijgje nu en dan.
de bloemkoolidee schiet ons kort door het hoofd maar haar niet. dat krijg je als je in paniek bent. de dokter bellen en intussen verband zoeken. lichtrood kinderbloed drupt nu al samen in een respectabele plas onder de rustiekhouten tafel waar het kindje ligt gelijk een krioelend speenvarkentje.
misschien beter om het meteen maar af te maken, dat voorkomt meer onnodig kinderleed. de boel is toch niet meer te redden, zegt de dokter. dat hoor ik zo al aan dat zacht lijdzaam gehijg op de achtergrond. ja, over de telefoon mevrouwtje kan ik dat horen. daar ga ik toch geen dertig kilometer voor autorijden door bergachtig idyllische landschapjes? pakt u toch een hamer of schroevendraaier, wat u makkelijker lijkt. kijk, als het nou nog een jongetje was. u heeft het toch gevonden in uw tuin, het is van niemand, niemand mist het?"
het lijkt wat zielig misschien, maar er zit niet veel anders op. de dokter heeft gestudeerd nietwaar, vier jaar lang boeken lezen en nooit met zijn handen in de viezigheid. alhoewel. bovendien, zo'n mooi kind is het niet. een beetje grauw, en die neus lijkt wel gruwelijk uit proportie te zijn. hoe dan ook, de situatie ziet er hopeloos uit. hoe langer dat aardekind hier nog ligt te creperen, hoe meer werk het wordt om al die vlekken en viezigheid op te ruimen.

met trillende handen is het moeilijk om die keukenla open te maken - hij klemt een beetje - maar het lukt haar wel, en dan is dat keukenmes ook snel gevonden. doet al jaren dienst als gewoon mes en nu dan als medisch moordwapen. ze loopt naar de tafel terwijl de dokter ter begeleiding aan de andere kant van de lijn de soundtrack van psycho neuriet. even kijkt ze nog naar dat rustige, emotieloze gezichtje. zonder verdere bewoording stoot ze het mes iets links van het hartstreekje. het glijdt erin als boter en alledrie horen duidelijk dat het TOK met de punt in de tafel dringt. tot het lemmet nu steekt het staal door het kind heen. de dokter applaudiseert met een enorm volume. dan vliegt het dak van het huis af. snel rukt de vrouw het mes uit het kind en tafel en werpt het over haar schouder. het klettert in een hoekje bij een tafeltje neer. ze grijpt het wezentje bij één armpje gooit het met volle vaart in een indrukwekkende, rechte rode streep tegen de muur. daar laat het een bescheiden plakkerig vlekje achter. ze kruipt er naartoe, pakt het op en draagt het, terwijl het hulpeloos nalekt, naar het gat in de tuin, propt het erin met het hoofdje naar beneden en mept er nog eens een paar keer flink op met de scherpe kant van de loden schep. dat klinkt een beetje dof maar, op de een of andere manier, toch best fijn. dan snel wat aarde eroverheen. als het geen haastklus geweest was, moest er misschien nog een grafje van gemaakt worden.
nu heeft ze echter belangrijker dingen aan haar hoofd. met haar handen tegen haar wangen rent ze terug. maar voordat ze haar huis binnen kan gaan puilt de telefoonrekening al uit en duwt haar fel terug. opeens een suizend geluid. ze luistert omhoog - dan valt het dak met een klap net naast haar voeten op de grond. door de trilling die het vallen van het dak veroorzaakt valt ze achterover op de kuil die ze zonet nog toegedekt heeft. dat doet pijn. ze krabbelt omhoog maar merkt dat ze blijft haken achter een takje ofzoiets. ze voelt wat aan de achterkant van haar lichtblauwe rok waar nu een grote moddervlek op zit en voelt dat een klein kinderhandje recht omhoog uit de aarde steekt en zich met alle macht aan het kledingstuk vastklampt. nooit meer komt ze nu los. of toch? ze probeert het in elk geval met alle macht. dan een auto die met gierende remmen remt, vlak naast het dak. de dokter stapt netjes uit de auto en begint meteen aan de armen van de vrouw te rukken terwijl het aardekind haar rok steviger beethoudt dan ooit. deze titanenstrijd loopt zelfs zo ver op dat de vrouw uiteenscheurt bij het middenrif. geen nood, roept de dokter, ik ben jezus, ik los dit wel even op, dit was oneerlijk voor u. u had hier niks mee te maken en toch dwars doorgescheurd. erg oncharmant en vergeef me, een beetje onsmakelijk. voor u moeten we een uitzondering maken vind ik.
intussen heeft het aardekind zich volledig omhoog gewerkt en is het begonnen de darmen van de vrouw, die immers uit haar gevallen zijn en nu blubberend over de grond verspreid liggen, bij elkaar te knopen. voor later, roept het, hard lachend.. voor later om te bewaren in een album voor je kleinkinderen.

19-09-2007

Maria (of: Een verhaal over afgunst)

Ik doodde een spin.

Het was niet expres, verzeker ik u. Ik snap ook dat ik dit nader uit moet leggen. Ik voel uw verontwaardiging en haat opspelen. Die meneer Doolaard maakt er een potje van. Die meneer Doolaard vertrapt en verkreukelt moeder Natuur al naar gelang zijn eigen wil. Uw beeld van mij vervormt zich, het verroet en smelt een beetje, kruimelt wat af aan de randjes, schuurt een weinig tegen de zijkant van zijn hokje, zakt een beetje in als een mislukt taartje (ongemerkt maar onvermijdelijk en niet te ontkennen).

De spin zat in mijn haar.

Ik wil met nadruk, met klemtoon, ik wil u klemmend meedelen dat ik absoluut geen hekel heb aan beestjes met meer dan vier poten. Kevers laten mij koud maar ik voel geen afgunst. Vliegen en wespen doen mij niks. Aan muggen heb ik een gegronde hekel, maar dat is de mens eigen. Spinnen zelfs vullen mij met respect. Al vanaf jonge leeftijd is mij van alle kanten toevertrouwd dat het ijverige werkers zijn, die vlijtig hun webben weven: geduldig en nuttig. Beheerst en met mathematische precisie.

Ik waste mijn gezicht met zeep en water. Vóór mij een spiegel. Iets bundelde voor mijn ogen heen en weer en klom toen weer omhoog mijn haar in. Een kleine spin. Elegant en soepel.

Het water stroomde met een draaibeweging het putje van de wastafel in (linksom of rechtsom, afhankelijk van het halfrond waarop u zich bevindt). Mijn handen bewogen al wassend over mijn gezicht, mijn wangen, mijn rechte neus, mijn oogleden benatten zij, alleen de buitenkant, hoewel men zich af kan vragen of de mens wel een binnen- en buitenkant heeft. De spin bungelde aan een onzichtbare draad die van mijn haar naar beneden liep boven een voor hem onpeilbare diepte.

Soms vind ik het leuk om spinnen niet van mijn haar te laten bungelen, maar schep ik meer plezier in het laten bungelen vanaf mijn vinger. Het herinnert mij aan mijn vroege jeugd, schommels in de speeltuin, alles interessant en nieuw vinden in plaats van het meteen te plaatsen in een kader der bekendheid, veel bezig zijn met dieren groot en klein, ook al zegt je moeder dat het vies is om wormen in potjes te doen en dode krabben te zoeken op het strand.

Ik haalde mijn vingers langs de draad waar de spin aan hing. De draad gaf gemakkelijk mee maar bleek niet aan mijn vinger te hechten. Knapte, brak. Het breken gaf een zonder twijfel een onhoorbaar geluid. De spin viel. Vallen naar beneden is soms onvermijdelijk.
In één vloeiende beweging kwam de spin in het water, draaide een half rondje rond het afvoerputje en verdween uit zicht.

Dat alles zo snel dat ik mij bijna afvroeg wat een moment is.

Het water stroomde verder alsof er niks gebeurd was. Ik keek een tijdje naar mijzelf in de spiegel.
Zelfverklaard woordgod spinmoordenaar.
Ik draaide de aan kraan zodat het dodelijke kolkje verdween en sloot de deur achter mij.

In mijn eigen kolk van gedachten en fantasieën houdt de spin zijn adem in. Hij sluit zijn poten om zijn lijf zodat hij met verbazingwekkend snelle vaart de krochten en bochten van de pijpleidingen doorstroomt. Eenmaal uitgekomen in het riool trekt hij zich op aan een uitstekend stukje steen. Het is donker en krap, een kleine ruimte. Daar rust hij uit en droogt hij zich. Het bevalt hem. Vaak genoeg worden er vliegen en muggen meegespoeld met het rioolwater. De eenzaamheid deert hem niet. Hij kan rustig nadenken. Hij wilde dat hij dat ene boek nog eens kon lezen.
Hij is tevreden.