parijs
in parijs is een vogeltentoonstelling van wereldformaat. mensen vliegen van heinde en verre naar de extravagante fashion capital of the world, waar het water smaakt naar wijn en jacques brel op elk terras een biertje proost, om te kijken en luisteren naar deze magnifieke verzameling dieren. onder de echt zeldzame exemplaren bevinden zich de groothoekige koekoek, de vaalkleurige ara en de potsierlijke koningsduif, maar het meeste aandacht onder het publiek - dagjesvolk dat geen kijk heeft op zeldzaamheid, maar meer aandacht heeft voor spektakel - trekt de zwerm pikzwarte struisvogels, die achter glazen ramen statig heen en weer struinen met de kin omhoog - de opvallend rode ogen over de onrustig gonzende massa heen schietend.
avignon
de zwervers kotsen in de goten van avignon, zodat de geulen van de straten volslibben met geelbruine, zurige derrie. fabrikanten van hoge hakken doen opeens goede zaken. avignon is het centrum van de zonne-energie en bovendien heeft het een rijke traditie in gepocheerde eieren. het vaticaan schijnt er elk jaar duizend kilo gepocheerde eieren te bestellen, waar de paus op paasochtend in rondzwemt als een pasgeboren eendje. daarna vegen elf koorknaapjes zijn rimpelige eierlichaam schoon met doeken van goudgestikt lammetjeswol. vorig jaar was er tijdens de heilige paasmis een stukje ei in de linkerooghoek van de paus blijven steken - een gelegenheid die de roddelpers gulzig aangreep voor het maken van de meest obscene woordgrappen.
barcelona
de horizon is oranje zanderig en hordes paarden galloperen schuimbekkend over de dunne stroken strand, dagen elkaar uit, sprinten een stukje vooruit, vallen weer terug in het peleton. hun manen flakkeren in de zacht klapperende wind op onvoelbare ritmes. hand in hand loopt een stelletje in strandkledij over de duinheuveltjes, en terwijl zij zachtjes woordjes in zijn oor fluistert knijpt hij haar ongemerkt in haar billen. de zee schuimt rustig witblauw op en neer en maakt zich op voor een dreigende, verzwelgende finale.
09-05-2009
plot
09-04-2009
you're as porous as ever (?)
Graatmagere vrouwtjes dansen op aboriginalritmes door mijn kleine kamertje heen. Zwaaiend met hun armen maken ze wilde rondes, en hun benen schieten onder hen uit als elastiekjes. De stereoset staat op zijn aller, allerhardst en de buren bonken al enige tijd ritmisch mee op de oerwouddrums, maar één van de vrouwtjes houdt mijn armen op mijn rug, terwijl een ander, een opvallend harig typ, de draaiknop van de versterker krijsend nog verder naar rechts probeert te duwen. Voor mijn gevoel zijn ze hier nu al een eeuwigheid mee bezig - maar ik in werkelijkheid, zie ik, zijn we pas op 3:46 van het tweede nummer.
In het midden van die exotische heksenkring staat de kat van mijn vriendin glazig in de lucht te staren. Zelfs als één van de woest dansende wijfjes hem bestrooit met een mysterieus zilveren poeder lijkt het beestje niet echt onder de indruk. Alle hoofden, stuk voor stuk gerimpeld en versleten, worden nu in de nek gelegd; en terwijl ze met lange, vieze nagels tot bloedens toe over hun keel schrapen komt er uit het twintigtal verschrompelde mondjes een luide, gelaagde klaagzang die door merg en been snijdt. Al snel bloeden ze allemaal als runderen en plassen ze rond in een ronde rivier van bloed, terwijl de bloedspetters vettig tegen de muur plakken.
Ik word overeind gesjord. Een hese stem sist in mijn linkeroor: "Opstaan nu! Dans!". Ik laat die kans natuurlijk niet onbenut en geef het oudje achter me een venijnig hakje in haar kruis, ruk me los en beuk dwars door de dansende kring heen. Het mensje dat ik raak valt met een verbaasd gilletje achterover en ik hoor een vervelend krakend geluid, maar dan ben ik de kamer al uit. Ik vlieg het trappenhuis door en ren een paar honderd meter over straat op volle snelheid, tot ik achterom kijk en me realiseer dat niemand me op de hielen zit.
Uithijgend fatsioneer ik de boord van mijn overhemd. Weer een geluk, dat die half doodgebloedde oude lijken me niet met zijn allen achterna komen lopen. Maar het zal er wel weer op uitdraaien dat ik voor mijn vriendin een nieuwe kat moet kopen.
21-02-2009
chalice
Vrolijk - het was immers vroeg op de zondagmiddag - liep ik door het bos, dat begint in mijn achtertuin. De lage winterzon deed het pad van natte, bruine bladeren glinsteren en ik voelde mij voor een moment bevrijd van de krioelende stad, zijn lawaai en uitlaatgassen. Ik stak mijn handen in de zakken van mijn kaki blazer en keek nog eens om mij heen. De bomen van het bos stonden in kale, rechte rijen naast elkaar, zodat ik nu eens tegen een dichte haag hout aankeek, dan weer dwars door het bos heen; maar het mathematische van die opstelling werd hier en daar gelukkig verstoord door een halfomgevallen, kromgegroeide boom of een verlaten vogelnest in kale, dunne takken. Iets het bos in, niet ver van het pad af, cirkelde een dun pluimpje smog uit de de humusgrond omhoog. Grinnikend om de eigenzinnigheid van de natuur keek ik mezelf aan in de reflectie van een flinke modderplas.
Na een minuut of wat kwam ik aan de rand van het bos, waar het paadje vervaagde in de oever van een klein poldermeer. De wind trok aan de grijsbruine rietpalmen langs de kant en deed het kleurloze water zachtjes golven. Twee futen begroetten elkaar in het kroos met lange, zachte uithalen; aan de rand van het water, tussen het riet, zat een man met een hoed aandachtig naar zijn dobber te staren, die felroodplastic opstak tegen de waterhorizon.
Ik zette mij in kleermakerszit naast hem neer. "Goedemiddag, willen ze bijten?", begon ik een gesprek, maar ik had er meteen spijt van toen de man zich half omdraaide en de wenkbrauwen boven zijn melkwitte ogen samentrok. "Geen idee..", mompelde hij peinzend, alsof iemand hem iets vroeg over een droom. Zijn blinde ogen schoten over het water, en er viel een lange stilte. De futen dobberden langzaam weg, totdat ze uit het zicht verdwenen waren. Een lui briesje streelde langs mijn wang, terwijl de zon mij van bovenaf aangenaam bescheen; en ik moet met schaamte bekennen dat ik misschien even wegdoezelde.
Mijn halfslaap werd echter ruw verstoord door een luid gevloek en een hoop geplons. Ik schoot wakker van het lawaai en ik proefde een vage koffiesmaak in mijn mond; maar ik had weinig tijd om daar aandacht aan te besteden. Het rood aangelopen hoofd van de blinde visser lag naast mijn voeten, terwijl hij zich met zijn armen vastgeklampte aan wat rietstengels. "Help, verdomme!", riep hij, en ik greep hem zo goed ik kon beet. Ik zette mij schrap, en met aanzienlijke moeite kreeg ik hem vrij snel weer aan de kant, terwijl hij wild spartelde. Ik plofte naast hem neer in het modderige gras.
Mijn bruine streepjesbroek was doorweekt en ik was buiten adem. Naast me hoorde ik de visser zwaar en schor ademhalen; hij zat onder de modder, maar het leek erop dat hij ongehavend was. "Dankje", fluisterde hij en hij streelde met beide handen over zijn rechterenkel. "Geen probleem", antwoordde ik, want wist niet precies wat ik terug moest zeggen. Hij draaide zijn hoofd naar het geluid en terwijl hij naar mijn rechteroor keek trok hij een vege frons. "Het is uitkijken in dit tijdsgewricht, als je rustig vissen wilt", adviseerde hij mij. "Ik heb er genoeg van. Hier", en nu schoof hij mij zijn hengel in de handen, "en neem mijn stoeltje ook maar. Ik schei ermee uit." Toen krabbelde hij op en hinkte verrassend soepel het bos in.
Een beetje licht in het hoofd keek ik naar de hengel in mijn hand. Hij woog zwaar, maar dat voelde niet onprettig; hij was misschien van een soort staal. Het was al een tijd geleden, dat ik gevist had. Vroeger, als kind, had ik er in lange zomervakanties nog wel eens wat zonovergoten dagen mee gesleten, turend naar de sloot voor de deur. En nu? Moest ik nu, door omstandigheden gedwongen, de rest van mijn zondagmiddag langs de waterkant doorbrengen, als een wachttoren, als een rechter van het water, uitkijkend over het grauwe meer? En besluiteloos vlijde ik mij neer op het stoeltje van de visser.
24-01-2009
Ies time to eat a k-k-kraasy amount of meat
'Hallo! Hallo! Aandacht!' schreeuwt mijn buik in mijn hoofd, terwijl ik rustig verder schrijf aan mijn reisblog. Het wordt een weer een mooi verhaal van 5 en een half A4-tje, waarin ik uitvoerig verslag doe van mijn laatste wandeling door de duinen van België. Weetje, ik heb een hekel aan mensen die het internet volstouwen met hun onboeiende verslagen; daarom schrijf ik zelf net iets anders. Net iets smeuïger, net iets gedetailleerder, met net iets meer vloeiend gevoel en hier en daar voeg ik zelfs een digitale foto toe (dat laatste heb ik geleerd van mijn kleindochter). Mijn trouwe lezersschare geniet dan ook werkelijk van hetgeen ik verhaal - vaak genoeg reageert één van mijn oude vrienden, waarvan ik niet eens wist dat hij meelas, met een aanmoedigend 'het was weer mooi' of 'wat klinkt dat geweldig, zeg' of juist 'sterkte, Henk' en 'zet hem op, Henk'. Ik laat de mensen meegenieten met mijn reis, en ze genieten ook echt, zoveel is mij wel duidelijk.
Zoals laatst, toen ik beschreef hoe het dan voelt om wakker te worden in je slaapzak op een Belgische zandrug, met een prikkelend lentezonnetje op je netvlies; dat je met wat moeite opstaat en dat de ruige wind het zand om je oren snijdt; dat ik alleen nog een zielig rolletje beschuit had met een plakje kaas uit de plaatselijke Belgische supermarkt, en dat ik een meeuw druk schreeuwend tegen de wind in zag worstelen zonder dat het mij erg nuttig leek, aan de hand waarvan ik een metafoor voor het leven uitwerkte. Het is ongelofelijk hoeveel inzicht in simpele zaken je krijgt door er gewoon op uit te trekken met een slaapzak en een flinke dosis doorzettingsvermogen. De plekken waar je uiteindelijk terecht komt! De vrienden die je maakt in de kroegjes, waar iedereen tot vier uur 's nachts blijft hangen omdat de vrouw snurkt! Dat soort figuren geef ik altijd een rondje, want mijn Geertrude, God hebbe haar ziel, had daar ook een handje van, dus ik weet hoe dat is. Als ik een kroeg binnenstap en de Belgische boerenkerels staan in de rij om me te vertellen van hun boerende, snurkende, dikke, walgelijk vette vrouwen, dan weet ik dat ik te lang op één plek gebleven ben.
Ach ja, het leven van de reiziger - van dorp naar dorp, altijd nieuwe gezichten, altijd nieuwe situaties, belevenissen. De hoogtepunten hoef ik hier voor de echt trouwe lezers natuurlijk niet te herhalen - hé Jan, trouwens, als je dit leest, succes morgen! - maar voor de goede orde noem ik mijn confrontatie met de dronken straatmuzikant, die ene keer dat ik de weg kwijt raakte midden in de nacht, of wat dacht je van toen mijn slaapzak nat was van de regen en er in de verre omtrek geen hostelletje te bekennen was? Maar je slaat je er doorheen, je leert doorzetten, je verhardt van binnen en van buiten, en achteraf zie je het mooie er toch wel van in. Je doet het niet voor niets, zo'n reis.
Ik ben nu een maand of vijf onderweg en elke dag schrijf ik een reislog op mijn mini-laptopje. Alles wat ik meemaak staat meteen de volgende dag op internet, en nee! het is niet zo, dat ik alleen maar wat slap aan het lullen ben, omdat ik eigenlijk niks heb, om over te schrijven: je zou eerder kunnen zeggen dat ik, omdat ik weet dat er elke dag een stukje van mij verwacht wordt - die verplichting heb ik mezelf nu eenmaal opgelegd - ik gevoeliger geworden ben voor de kleine gebeurtenisjes, de kleine opmerkelijkheidjes, de kleine feitjes, en ik dus meer geniet van het leven, van elk moment, omdat ik mij overal bij afvraag: kan ik hierover bloggen? Is dit de moeite waard voor het lezend publiek? Vaak is het antwoord dan: ja.
Maar vaak genoeg is het antwoord natuurlijk: nee. Ik heb bijvoorbeeld nooit verteld over mijn lichamelijke gebreken, tenzij het echt onverdragelijk werd, en ik heb nooit uitgeweid over de flora in de duinen, terwijl ik daar toch een hoop verstand van heb. Ik moet elke dag minstens één keer mijn ontlasting kwijt en in de Belgische duinen is dat heus een hele uitdaging - ik had mijn eerste vijf bloggen gemakkelijk kunnen vullen met hoe ik uitvond dat je goed rekening moet houden met de stand van de wind, en waarom het handig is om vantevoren een kuiltje te graven, maar dat soort onderwerpen heb ik nooit nodig gehad om mijn reisblog te vullen. Er gebeuren zoveel interessante dingen, dat ik het onderwerp van mijn ontlasting tot nu toe gemakkelijk heb kunnen omzeilen.
Ik vraag mij af hoe ik straks ontvangen word als ik weer thuiskom, na een krap half jaar: ik denk heus niet dat mensen mij lauweren en verklaren tot godheid, maar inmiddels heb ik natuurlijk wel een heus reis-boekwerk bij elkaar geschreven. Als het aanslaat, en dat ga ik natuurlijk eerst even peilen, zit ik er wel over na te denken om het uit te geven. Ik heb ook al een titel bedacht: "Henk ter Kamp verslaat de Belgische Duinen". Recht toe recht aan, met toch een zinspeling op een dubbele betekenis, die niet ver van de waarheid ligt: want het is een waar gevecht met de duinen geweest, een strijd met de natuur; een strijd die ik tot in de puntjes opgetekend heb in mijn reisblog.
05-01-2009
Ah-Leu-Cha
Mijn ouders?
Om maar meteen met de boot in huis te vallen; mijn vader overleed op vijfentwintig-jarige leeftijd. Hij was veertig geweest toen ik ter wereld kwam - mijn moeder had wat sperma ingevroren in een tupperware-doosje en het handmatig ingebracht op zijn vijftiende sterfdag. Piet, zo heette hij. Het schijnt een excentrieke man geweest te zijn - behalve dat hij zijn geboortedatum op zijn voorhoofd getattooeerd had, volgens hemzelf om 'niets dan esthetische' redenen, dronk hij elke ochtend een glas bier met twee rauwe eieren en schoor hij zich nooit. Iedereen die wel eens een ei naar binnen geslobberd heeft weet, wat voor troep dat geeft: de stekelige, zwarte baard van mijn vader was tijdens zijn leven dan ook compleet aan elkaar geklit en geglazuurd met een filter van eiwit. Als ik oude foto's van hem bekijk bekruipt mij dan ook altijd het idee, dat iemand met Photoshop een indrukwekkende, met brilliantine verzadigde hanenkam op zijn kin geplakt heeft.
Mijn moeder heeft me alleen opgevoed, en ik herinner mij haar als een zelfstandige, enigszins mollige vrouw met een nadrukkelijk aanwezige boezem die, ondanks de indrukwekkende welvingen, toch nooit de lust van de alleenstaande vaders op heeft kunnen wekken.
Alleenstaande vaders zijn de werkelijk wanhopige mannen in onze samenleving, die hun tijd voornamelijk lijken te vullen met het afstruinen van het schoolplein - op zoek naar vrouwelijk gezelschap. De meest wonderlijke kortstondige relaties vinden hun oorsprong op het schoolplein: vaders met juffies, vaders met moeders, vaders met dochters, vaders met vriendinnetjes, zelfs vaders met vaders en vaders met congierges. Maar mijn moeder hebben de vaders nooit aangekeken, laat staan aangeraakt; want ook al was mijn moeder innerlijk een schat van een vrouw (en was haar decolleté niet te versmaden), haar grauwe rouwkleding, met tranen doorlopen make-up en fors gebulte onderkin is altijd als een groteske vogelverschrikker geweest voor de vlerken van die verlopen, doorgeilde mannetjes.
Ja, doorlopen, want huilen deed mijn moeder veel: ik groeide op met een tafereel dat kleine kinderen eigenlijk alleen horen te zien, als hun moeder in de keuken bezig is met het bereiden van een flinke uientaart. Nooit heb ik iemand anders gekend, die zoveel huilde. Op doktersadvies dronk zij per dag een liter of tien aan gesteriliseerd water, simpelweg om uitdroging tegen te gaan. Dikwijls kocht ze ook donkerrode rozen ('zijn lievelings', hoewel men zich terecht kan afvragen of dát nu speciaal getuigt van een individuele smaak die nabestaanden moeten koesteren) om in zijn rouwkamer bij te zetten. De rouwkamer besloeg de helft van de begane grond van een bescheiden rijtjeswoning in Laren, Gelderland, en stond vol met ingelijste foto's van mijn wijle vader op posterformaat en allerhande paraphernalia.
Maar het meest belangrijk - voor háár tenminste - waren de rozen. Het was werkelijk of ze dacht, dat de bloemenman aflaten verkocht. En aangezien ze er geregeld rozen bij legde, maar er nimmer rozen weghaalde ('ze zijn nu van Piet'), vormde er zich in de eerste tien jaar van mijn jeugd een onaantrekkelijke, zwartscharlaken composthoop - en omdat ik er als knul stellig van overtuigd was dat mijn vader daadwerkelijk daaronder begraven lag, concludeerde ik al snel dat die compostgeur dan wel van zijn rottende lijk moest zijn. Misschien ligt hier dan de knop van mijn later ontloken bloemenfobie; het behoeft misschien weinig uitleg dat ik, terwijl mijn moeder op haar knieën de doornen van de steeltjes knipte, mijn jeugd grotendeels buitenspelend heb doorgebracht.
Hoe het ook zij, op een prille herfstavond, toen ik een jaar of tien was, kwam ik thuis en vond ik mijn moeder met uitgestrekte ledenmaten en overdwars doorgesneden polsen bovenop die berg rozenmest, die een beetje meegaf, als een groot, donzen kussen. Een macaber detail dat ik me nog herinner, is dat haar afgebeten tong als een lapje suddervlees over haar linkerborst uitgespreid lag. Later heb ik wel eens gelezen dat sommige personen in hun doodsstrijd zo paniekerig kunnen raken, dat ze hun kaken stuiptrekkend op elkaar kunnen klemmen met een kracht die we verder in de Natuur alleen aantreffen bij de zwarte kaaiman, die zijn forse prooien moeiteloos in één knauw doormidden kapt.
Mijn moeder kreeg, net als mijn vader, een slechtbezochte, fantasieloze crematie. De rook steeg op uit een schoorsteen en verdween meteen in de dichte mist die daar over Laren uitgerold lag, en de as kreeg ik mee naar huis in een potje. Het verspreidt nog steeds die raadselachtige, zoete geur van goedkope rode rozen, naar aanleiding waarvan mijn vriendin mijn moeder nog wel eens spottend omschrijft als 'die doos potpourri'.
23-12-2008
cabin door
ik liep in het midden van de stoep. er was verder toch niemand op straat - hoe laat het was? een uur of drie 's nachts, denk ik toch wel. mijn ritme was door mijn bedlegerigheid zodanig verstoort, dat ik dag en nacht niet meer uit elkaar kon houden. de afgelopen maanden waren verstreken in het soort halfduister waarin alles in elkaar verglijdt.
27-11-2008
een metafoor natuurlijk
met eer protesteren de schuchtere dames.
het is een liefderijk protest.
ze hoeven zich nergens voor te excuseren.
op een verhoging - maar toch middenin het publiek - staat een dichter te proclameren. het publiek rond hem heen scandeert zijn uitroepen:
'koninginnen van de nacht, saam'gebolde levenskracht, peren appels en tomaten, allen zijn wij gods createn, dieper dan de vos in nood, prachtig in het ochtendrood, 't stralend bovenlijf ontbloot, ..'
waardige vrouwen met mysterieuze hoge hoeden boren diepe gaten in het asfalt met drilboren.
anderen trekken touw in gigantische aantallen. zacht zwoegend beweegt de massa heen en weer, alsof het een ingestudeerde dans is.
pantalons en sjerpen met leuzen sieren ronde lichamen. sommigen knippen plukken van hun lange haar en strooien het uit over de straattegels. flinterdunne lichtbakens zijn hun ogen. als een breinaald bewegen ze zich richting het grote plein.
"tsjikke tsjikke tsjikke
boem tsjikke tsjikke
boem tsjikke boem boem
sjikke sjikke sjikke sjikke.."
het is een maandagmiddag. mijn moeder staat te strijken. de radio staat aan. op radio 2 praat een man over problematiek. op het bed liggen vijf stapeltjes keurig gevouwen kleren. het ruikt fris. condens slaat op de hoekjes van de ramen. het waterige zonlicht valt in dunne lijntjes langs de zware, roodfluwelen gordijnen en spat uiteen op haar kastanjebruine haar. de strijkbout sist en knort over de witte overhemden. ze is al bijna klaar.
10-11-2008
saint catherine
De oude man viel neer op straat en omstanders, die aan komen snellen, kringen binnen een mum van tijd in het halfdonker in cirkels om hem heen, chaotisch roepend, overleggend, een ambulance!
Geen tijd verstrijkt bijna. De ambulance komt aanscheuren, de felle lichtstralen van de koplampen snijden door de regen, banen een weg door het levende oerwoud van lichamen. Met een striemend geluid komt hij slippend tot stilstand op de natgeregende betegelde straat, een adem trekt door de mensenmassa. In het oranjegele spotlicht van de lantaarnpaal schuiven de deuren open, twee ziekebroeders verschijnen, wit ontzagwekkend, ervaren. De open cirkel dijdt uit terwijl ze knielen bij de oude man, onbeweeglijk, statisch in donker oranje glimmend, één aan de rechter, één aan de linkerkant, stethoscopen schitteren als gouden tentakels, geruisloos overleg.
Een scheurend geluid kerft dwars door de ijzeren stilte, ze hebben de jas, de blouse, het hemd van de oude open gescheurd, een grijsroze streep huid flitst op als een langgerekte wond en de ziekebroeders storten zich er op, beuken op het hart door zijn ribbekast heen. Het gezicht van de man schokt lichtjes heen en weer op de straatstenen, zijn mond hangt stil open, zijn armen liggen naast hem, zijn benen lijken te lang, vreemd uitgestrekt, krachteloos. De ambulance bromt en dampt vlak naast hem, een onfeilbare metalen machine. Het licht uit de kabine zwelt aan en is te scherp om in te kijken.
02-11-2008
265×265
Ik liep aan het begin van het Westeinde. Een lichtgeel zonnetje scheerde laag over de grond recht mijn pupillen in. Een moeder hing uit het raam een lap te kloppen. Een lamlendig windje blies de stank van twee overvolle grijszwarte vuilnisbakken op mij af, die weeïg zoete geur van Nederlands huisafval: het aroma van de vuilnisman, de superheld, achterop de vuilniswagen zomaar los, met flapperend fluoriserend pak en ongeschoren shagbakkes. Rond de twee vuilnisbakken scharrelde een hondje in het rond.
Ik zong in mijzelf. Lopend op straat ben ik, als ik in de bui ben, een regelrecht muzikaal genie. Ik haal dan alle toonhoogtes en poep muzikale volzinnen met het grootste gemak uit: hier en daar spek ik het geheel wat aan met een meesterlijk vibratootje en als het mij schikt, begeleid ik mezelf door met mijn handen op mijn dijen te slaan. Mijn impromptuteksten zijn onweerstaanbaar poëtisch en het komt niet zelden voor, dat ik mezelf echt ontroer. Natuurlijk hou ik dat wel een beetje voor me.
Gek is het, want als ik het thuis probeer gaat het meteen een stuk minder: het heeft denk ik te maken met die op-en-neer-en-opcadans van de loopbeweging. En trouwens, oh wee als er iemand meeluistert! Dan gijzelt een onzekerheid mijn talenten ogenblikkelijk en mompel ik meestal 'nu even niet' en 'net verkouden geweest' en 'mijn zweethanden'.
Hier moest ik zijn. Nummer 265. De gordijn waren geel en dicht, maar doorzichtig. Erachter zag ik een lamp en een bank. Ik opende het lage tuinhekje en liep het gammele tuinpaadje op. Tegelijkertijd beëindigde ik het geïmproviseerde nummer, dat nu al een minuut of elf duurde, met een uitzinnige fluitsolo die ik perfect afsloot met het drukken op de bel. Ting-dong.
Hallo! riep ze, maar voordat ik terug kon halloen tikte er een naakte man op mijn schouder. "Wie niet werkt is niet eerlijk", zei hij, "maar wie wel werkt is óók niet eerlijk. Snap je?", en hij staarde in het niks. Ik haalde mijn neus op. "Heb jij trouwens mijn hondje gezien?", vroeg hij. Ik zei: "ja" en "daar" en de man slenterde in de richting van de vuilnisbakken, terwijl het zonlicht een eigenaardig schaduwspel speelde op zijn blote, wiebelende kont.
24-10-2008
pornosterrenhoofdjes
anaal liep ik over straat. de zon scheen mij bruinig tegemoet. de zonnestralen druppelden in lange slierten van de ramen. heel gek.
vanmorgen was ik opgestaan met een loeiende hoofdpijn en ik voelde me eg helemáál niet lekkah. heel gek. nouja, eigenlijk niet, want de dag ervoor was ik echt los gegaan op die beat.
ik heb verstand van tyfus. of, zoals je dat in het engels noemt, typhoid fever. mijn oma heeft herpes, maar ik niet. ik heb gewoon aids. als je ook aids hebt, geef me dan een belletje op 0900-zuigmijnbolus.
laatst wilde mijn vriendin mijn bolus zuigen. ik zei nee! nee! maar voordat ik het wist pakte ze er een enorme zuignap bij, en plantte hem rondom mijn tepel.
mijn rechtertepel is niet even groot als mijn linkertepel (kleiner) en ik loop dientengevolge scheef over straat.
scheef en anaal liep ik over straat. de maan gloeide heftig vibrerend mijn liezen in, niet onprettig. mijn moeder belde op. of ik worst lust. nou, zei ik, ik heb wel een rookworst voor je imme spijkerbroekkie! hehe. hehehe. geile slet. hehe.
ik liep over straat en ik struikelde, zodat mijn neus in de stront belandde. getverdemme, gelukkig bood een of ander wijf mij meteen een zakdoekje aan. of ik ook aan poepseks deed. nee. natuurlijk niet. dat zei ik. maar tegelijkertijd dacht ik: penetreer mijn vochtige, zompige moerasaars..
