24-01-2009

Ies time to eat a k-k-kraasy amount of meat

'Hallo! Hallo! Aandacht!' schreeuwt mijn buik in mijn hoofd, terwijl ik rustig verder schrijf aan mijn reisblog. Het wordt een weer een mooi verhaal van 5 en een half A4-tje, waarin ik uitvoerig verslag doe van mijn laatste wandeling door de duinen van België. Weetje, ik heb een hekel aan mensen die het internet volstouwen met hun onboeiende verslagen; daarom schrijf ik zelf net iets anders. Net iets smeuïger, net iets gedetailleerder, met net iets meer vloeiend gevoel en hier en daar voeg ik zelfs een digitale foto toe (dat laatste heb ik geleerd van mijn kleindochter). Mijn trouwe lezersschare geniet dan ook werkelijk van hetgeen ik verhaal - vaak genoeg reageert één van mijn oude vrienden, waarvan ik niet eens wist dat hij meelas, met een aanmoedigend 'het was weer mooi' of 'wat klinkt dat geweldig, zeg' of juist 'sterkte, Henk' en 'zet hem op, Henk'. Ik laat de mensen meegenieten met mijn reis, en ze genieten ook echt, zoveel is mij wel duidelijk.

Zoals laatst, toen ik beschreef hoe het dan voelt om wakker te worden in je slaapzak op een Belgische zandrug, met een prikkelend lentezonnetje op je netvlies; dat je met wat moeite opstaat en dat de ruige wind het zand om je oren snijdt; dat ik alleen nog een zielig rolletje beschuit had met een plakje kaas uit de plaatselijke Belgische supermarkt, en dat ik een meeuw druk schreeuwend tegen de wind in zag worstelen zonder dat het mij erg nuttig leek, aan de hand waarvan ik een metafoor voor het leven uitwerkte. Het is ongelofelijk hoeveel inzicht in simpele zaken je krijgt door er gewoon op uit te trekken met een slaapzak en een flinke dosis doorzettingsvermogen. De plekken waar je uiteindelijk terecht komt! De vrienden die je maakt in de kroegjes, waar iedereen tot vier uur 's nachts blijft hangen omdat de vrouw snurkt! Dat soort figuren geef ik altijd een rondje, want mijn Geertrude, God hebbe haar ziel, had daar ook een handje van, dus ik weet hoe dat is. Als ik een kroeg binnenstap en de Belgische boerenkerels staan in de rij om me te vertellen van hun boerende, snurkende, dikke, walgelijk vette vrouwen, dan weet ik dat ik te lang op één plek gebleven ben.

Ach ja, het leven van de reiziger - van dorp naar dorp, altijd nieuwe gezichten, altijd nieuwe situaties, belevenissen. De hoogtepunten hoef ik hier voor de echt trouwe lezers natuurlijk niet te herhalen - hé Jan, trouwens, als je dit leest, succes morgen! - maar voor de goede orde noem ik mijn confrontatie met de dronken straatmuzikant, die ene keer dat ik de weg kwijt raakte midden in de nacht, of wat dacht je van toen mijn slaapzak nat was van de regen en er in de verre omtrek geen hostelletje te bekennen was? Maar je slaat je er doorheen, je leert doorzetten, je verhardt van binnen en van buiten, en achteraf zie je het mooie er toch wel van in. Je doet het niet voor niets, zo'n reis.
Ik ben nu een maand of vijf onderweg en elke dag schrijf ik een reislog op mijn mini-laptopje. Alles wat ik meemaak staat meteen de volgende dag op internet, en nee! het is niet zo, dat ik alleen maar wat slap aan het lullen ben, omdat ik eigenlijk niks heb, om over te schrijven: je zou eerder kunnen zeggen dat ik, omdat ik weet dat er elke dag een stukje van mij verwacht wordt - die verplichting heb ik mezelf nu eenmaal opgelegd - ik gevoeliger geworden ben voor de kleine gebeurtenisjes, de kleine opmerkelijkheidjes, de kleine feitjes, en ik dus meer geniet van het leven, van elk moment, omdat ik mij overal bij afvraag: kan ik hierover bloggen? Is dit de moeite waard voor het lezend publiek? Vaak is het antwoord dan: ja.
Maar vaak genoeg is het antwoord natuurlijk: nee. Ik heb bijvoorbeeld nooit verteld over mijn lichamelijke gebreken, tenzij het echt onverdragelijk werd, en ik heb nooit uitgeweid over de flora in de duinen, terwijl ik daar toch een hoop verstand van heb. Ik moet elke dag minstens één keer mijn ontlasting kwijt en in de Belgische duinen is dat heus een hele uitdaging - ik had mijn eerste vijf bloggen gemakkelijk kunnen vullen met hoe ik uitvond dat je goed rekening moet houden met de stand van de wind, en waarom het handig is om vantevoren een kuiltje te graven, maar dat soort onderwerpen heb ik nooit nodig gehad om mijn reisblog te vullen. Er gebeuren zoveel interessante dingen, dat ik het onderwerp van mijn ontlasting tot nu toe gemakkelijk heb kunnen omzeilen.

Ik vraag mij af hoe ik straks ontvangen word als ik weer thuiskom, na een krap half jaar: ik denk heus niet dat mensen mij lauweren en verklaren tot godheid, maar inmiddels heb ik natuurlijk wel een heus reis-boekwerk bij elkaar geschreven. Als het aanslaat, en dat ga ik natuurlijk eerst even peilen, zit ik er wel over na te denken om het uit te geven. Ik heb ook al een titel bedacht: "Henk ter Kamp verslaat de Belgische Duinen". Recht toe recht aan, met toch een zinspeling op een dubbele betekenis, die niet ver van de waarheid ligt: want het is een waar gevecht met de duinen geweest, een strijd met de natuur; een strijd die ik tot in de puntjes opgetekend heb in mijn reisblog.

05-01-2009

Ah-Leu-Cha

Mijn ouders?
Om maar meteen met de boot in huis te vallen; mijn vader overleed op vijfentwintig-jarige leeftijd. Hij was veertig geweest toen ik ter wereld kwam - mijn moeder had wat sperma ingevroren in een tupperware-doosje en het handmatig ingebracht op zijn vijftiende sterfdag. Piet, zo heette hij. Het schijnt een excentrieke man geweest te zijn - behalve dat hij zijn geboortedatum op zijn voorhoofd getattooeerd had, volgens hemzelf om 'niets dan esthetische' redenen, dronk hij elke ochtend een glas bier met twee rauwe eieren en schoor hij zich nooit. Iedereen die wel eens een ei naar binnen geslobberd heeft weet, wat voor troep dat geeft: de stekelige, zwarte baard van mijn vader was tijdens zijn leven dan ook compleet aan elkaar geklit en geglazuurd met een filter van eiwit. Als ik oude foto's van hem bekijk bekruipt mij dan ook altijd het idee, dat iemand met Photoshop een indrukwekkende, met brilliantine verzadigde hanenkam op zijn kin geplakt heeft.

Mijn moeder heeft me alleen opgevoed, en ik herinner mij haar als een zelfstandige, enigszins mollige vrouw met een nadrukkelijk aanwezige boezem die, ondanks de indrukwekkende welvingen, toch nooit de lust van de alleenstaande vaders op heeft kunnen wekken.
Alleenstaande vaders zijn de werkelijk wanhopige mannen in onze samenleving, die hun tijd voornamelijk lijken te vullen met het afstruinen van het schoolplein - op zoek naar vrouwelijk gezelschap. De meest wonderlijke kortstondige relaties vinden hun oorsprong op het schoolplein: vaders met juffies, vaders met moeders, vaders met dochters, vaders met vriendinnetjes, zelfs vaders met vaders en vaders met congierges. Maar mijn moeder hebben de vaders nooit aangekeken, laat staan aangeraakt; want ook al was mijn moeder innerlijk een schat van een vrouw (en was haar decolleté niet te versmaden), haar grauwe rouwkleding, met tranen doorlopen make-up en fors gebulte onderkin is altijd als een groteske vogelverschrikker geweest voor de vlerken van die verlopen, doorgeilde mannetjes.

Ja, doorlopen, want huilen deed mijn moeder veel: ik groeide op met een tafereel dat kleine kinderen eigenlijk alleen horen te zien, als hun moeder in de keuken bezig is met het bereiden van een flinke uientaart. Nooit heb ik iemand anders gekend, die zoveel huilde. Op doktersadvies dronk zij per dag een liter of tien aan gesteriliseerd water, simpelweg om uitdroging tegen te gaan. Dikwijls kocht ze ook donkerrode rozen ('zijn lievelings', hoewel men zich terecht kan afvragen of dát nu speciaal getuigt van een individuele smaak die nabestaanden moeten koesteren) om in zijn rouwkamer bij te zetten. De rouwkamer besloeg de helft van de begane grond van een bescheiden rijtjeswoning in Laren, Gelderland, en stond vol met ingelijste foto's van mijn wijle vader op posterformaat en allerhande paraphernalia.

Maar het meest belangrijk - voor háár tenminste - waren de rozen. Het was werkelijk of ze dacht, dat de bloemenman aflaten verkocht. En aangezien ze er geregeld rozen bij legde, maar er nimmer rozen weghaalde ('ze zijn nu van Piet'), vormde er zich in de eerste tien jaar van mijn jeugd een onaantrekkelijke, zwartscharlaken composthoop - en omdat ik er als knul stellig van overtuigd was dat mijn vader daadwerkelijk daaronder begraven lag, concludeerde ik al snel dat die compostgeur dan wel van zijn rottende lijk moest zijn. Misschien ligt hier dan de knop van mijn later ontloken bloemenfobie; het behoeft misschien weinig uitleg dat ik, terwijl mijn moeder op haar knieën de doornen van de steeltjes knipte, mijn jeugd grotendeels buitenspelend heb doorgebracht.
Hoe het ook zij, op een prille herfstavond, toen ik een jaar of tien was, kwam ik thuis en vond ik mijn moeder met uitgestrekte ledenmaten en overdwars doorgesneden polsen bovenop die berg rozenmest, die een beetje meegaf, als een groot, donzen kussen. Een macaber detail dat ik me nog herinner, is dat haar afgebeten tong als een lapje suddervlees over haar linkerborst uitgespreid lag. Later heb ik wel eens gelezen dat sommige personen in hun doodsstrijd zo paniekerig kunnen raken, dat ze hun kaken stuiptrekkend op elkaar kunnen klemmen met een kracht die we verder in de Natuur alleen aantreffen bij de zwarte kaaiman, die zijn forse prooien moeiteloos in één knauw doormidden kapt.

Mijn moeder kreeg, net als mijn vader, een slechtbezochte, fantasieloze crematie. De rook steeg op uit een schoorsteen en verdween meteen in de dichte mist die daar over Laren uitgerold lag, en de as kreeg ik mee naar huis in een potje. Het verspreidt nog steeds die raadselachtige, zoete geur van goedkope rode rozen, naar aanleiding waarvan mijn vriendin mijn moeder nog wel eens spottend omschrijft als 'die doos potpourri'.

23-12-2008

cabin door

tegen het doktersadvies in besloot ik gisternacht een frisse neus te halen in het parkje om de hoek. ik wankelde uit mijn knoflookbed en schoot mijn schoenen aan. de dikke sjaal, die ik vorig jaar van tante jo gekregen had, kon nu eindelijk eens dienst doen. het vroor buiten.

opgelucht stapte ik voor het eerst in drie maanden de drempel van mijn voordeur over, en ik hief mijn neus fier omhoog, terwijl ik inademde als - nouja, een beetje zoals amerikaanse acteur die speelt, dat hij net de gevangenis uitkomt.
ik rilde en drukte mijn kin dieper in de groene sjaal van tante. het parkje was niet zo erg ver weg, en vol goede moed sloeg ik rechtsaf. de lampen van de lantarenpalen gloeiden gelig op hun paaltjes en beschenen gezellig de ijzelige straatstenen.
ik liep in het midden van de stoep. er was verder toch niemand op straat - hoe laat het was? een uur of drie 's nachts, denk ik toch wel. mijn ritme was door mijn bedlegerigheid zodanig verstoort, dat ik dag en nacht niet meer uit elkaar kon houden. de afgelopen maanden waren verstreken in het soort halfduister waarin alles in elkaar verglijdt.

plots sloeg er een goedgeklede man de hoek om. zijn hakken klakten tikkend op de tegels, en met zijn verschijnen startte plotseling ook een droog geklap, dat al snel aan zwol tot een fors applaus. nu zag ik dat hij een radio met zich mee droeg, waaruit het luide applaus klonk. ik stokte in mijn gang, maar hij liep zelfverzekerd rechtdoor - snel sprong ik aan de kant, want ik had de indruk, dat hij recht door mij heen lopen zou. het applaus uit de radio was nu verrassend hard en enthousiast geworden. hij keurde mij geen blik waardig toen hij mij passeerde, en verbaasd bleef ik hem nakijken. daarna doofde het geluid van applaus langzaam uit, als op het einde van een langspeelplaat.

twijfelend vervolgde ik mijn weg. had ik misschien niet de goede nacht uitgekozen voor zo'n nachtelijke promenade? peinzend keek ik naar de grond. tot mijn verbazing zag ik, dat ik op een rode loper liep. toen ik achterom keek, zag ik inderdaad een rode tapijtstreep om de hoek verdwijnen. blijkbaar had ik dat steeds niet opgemerkt; maar nu ik het eenmaal wist begon mijn verbeelding op te spelen. het was alsof ik met elke stap meer bleef plakken in het dikke, robijnen pluche, dat wel een soort zompige structuur leek te hebben.

hoe het ook zij, mijn wandelpas verloor iets aan tempo. misschien was het ook dat ik ongemerkt moe werd; mijn conditie was natuurlijk niet meer wat het geweest was. uiteindelijk kwam ik compleet tot stilstand - recht voor een kleine bioscoop, die ik daar tot nu toe eigenlijk nooit opgemerkt had. de rode loper maakte hier een hoek van negentig graden en werd afgekapt door een loket, waarachter een blond meisje achteloos haar nagels zat te vijlen.

'één kaartje alstublieft', stamelde ik.

'welke feature?' vroeg het meisje, kalm maar met een venijnige ondertoon, alsof zij liever haar nagels vijlde dan zich met mij bezig te houden - 'maakt niet zoveel uit', zei ik. 'draait er een natuurfilm ofzoiets? ik was eigenlijk op weg naar het parkje, ziet u.'
het meisje trok één wenkbrauw op, waardoor de laag make-up op haar voorhoofd kreukelde en de puisten eronder vandaan schoten. ik schatte haar een jaar of zestien.
'meneer komt voor de natuurfilm? zo..' schamperde ze. 'nou, dat is dan vier euro. het achterste zaaltje.' ik stopte haar snel een briefje van vijf toe en liep het bioscoopje binnen.

nu vond ik mij in een kleine, donkere gang waarvan de wanden geheel bekleed waren en het schaarse, paarsblauwe neonlicht van de zaalnummers mij in de ogen prikte. het leek rustig, uitgestorven zelfs. de vloer kraakte ongemakkelijk lang onder mijn gewicht en het geluid sneed dwars door de stilte. toen ik langs zaal drie liep, was ik dan ook opgelucht een hoop geroezemoes te horen. nieuwsgierig als altijd gluurde ik even naar binnen. tot mijn verbazing vertoonde het grote scherm een still uit een hitchcock-klassieker, terwijl de zaal verder geheel leeg was. op de stoelen stonden rijen blauwe druipkaarsen te branden.

ik voelde mij betrapt en besloot snel richting mijn zaal te lopen. aan het einde van het gangetje werd de ingang van zaal 8 groen verlicht, en het oploopje was versierd met knisperende riettakken: een beetje kitsch, maar toch niet smakeloos. met de slappe, trillende benen van een zieke liep ik het plastieken touwbruggetje op, dat over een wild stromende rivier van rondbewegende kartonnen borden gespannen was. ik hield mij stevig vast aan de linkerleuning en schuifelde langzaam de bioscoopzaal in.

27-11-2008

een metafoor natuurlijk

met eer protesteren de schuchtere dames.
het is een liefderijk protest.
ze hoeven zich nergens voor te excuseren.
op een verhoging - maar toch middenin het publiek - staat een dichter te proclameren. het publiek rond hem heen scandeert zijn uitroepen:
'koninginnen van de nacht, saam'gebolde levenskracht, peren appels en tomaten, allen zijn wij gods createn, dieper dan de vos in nood, prachtig in het ochtendrood, 't stralend bovenlijf ontbloot, ..'
waardige vrouwen met mysterieuze hoge hoeden boren diepe gaten in het asfalt met drilboren.
anderen trekken touw in gigantische aantallen. zacht zwoegend beweegt de massa heen en weer, alsof het een ingestudeerde dans is.
pantalons en sjerpen met leuzen sieren ronde lichamen. sommigen knippen plukken van hun lange haar en strooien het uit over de straattegels. flinterdunne lichtbakens zijn hun ogen. als een breinaald bewegen ze zich richting het grote plein.

"tsjikke tsjikke tsjikke
boem tsjikke tsjikke
boem tsjikke boem boem
sjikke sjikke sjikke sjikke.."

het is een maandagmiddag. mijn moeder staat te strijken. de radio staat aan. op radio 2 praat een man over problematiek. op het bed liggen vijf stapeltjes keurig gevouwen kleren. het ruikt fris. condens slaat op de hoekjes van de ramen. het waterige zonlicht valt in dunne lijntjes langs de zware, roodfluwelen gordijnen en spat uiteen op haar kastanjebruine haar. de strijkbout sist en knort over de witte overhemden. ze is al bijna klaar.

10-11-2008

saint catherine

De oude man viel neer op straat en omstanders, die aan komen snellen, kringen binnen een mum van tijd in het halfdonker in cirkels om hem heen, chaotisch roepend, overleggend, een ambulance!
Geen tijd verstrijkt bijna. De ambulance komt aanscheuren, de felle lichtstralen van de koplampen snijden door de regen, banen een weg door het levende oerwoud van lichamen. Met een striemend geluid komt hij slippend tot stilstand op de natgeregende betegelde straat, een adem trekt door de mensenmassa. In het oranjegele spotlicht van de lantaarnpaal schuiven de deuren open, twee ziekebroeders verschijnen, wit ontzagwekkend, ervaren. De open cirkel dijdt uit terwijl ze knielen bij de oude man, onbeweeglijk, statisch in donker oranje glimmend, één aan de rechter, één aan de linkerkant, stethoscopen schitteren als gouden tentakels, geruisloos overleg.
Een scheurend geluid kerft dwars door de ijzeren stilte, ze hebben de jas, de blouse, het hemd van de oude open gescheurd, een grijsroze streep huid flitst op als een langgerekte wond en de ziekebroeders storten zich er op, beuken op het hart door zijn ribbekast heen. Het gezicht van de man schokt lichtjes heen en weer op de straatstenen, zijn mond hangt stil open, zijn armen liggen naast hem, zijn benen lijken te lang, vreemd uitgestrekt, krachteloos. De ambulance bromt en dampt vlak naast hem, een onfeilbare metalen machine. Het licht uit de kabine zwelt aan en is te scherp om in te kijken.

02-11-2008

265×265

Ik liep aan het begin van het Westeinde. Een lichtgeel zonnetje scheerde laag over de grond recht mijn pupillen in. Een moeder hing uit het raam een lap te kloppen. Een lamlendig windje blies de stank van twee overvolle grijszwarte vuilnisbakken op mij af, die weeïg zoete geur van Nederlands huisafval: het aroma van de vuilnisman, de superheld, achterop de vuilniswagen zomaar los, met flapperend fluoriserend pak en ongeschoren shagbakkes. Rond de twee vuilnisbakken scharrelde een hondje in het rond.

Ik zong in mijzelf. Lopend op straat ben ik, als ik in de bui ben, een regelrecht muzikaal genie. Ik haal dan alle toonhoogtes en poep muzikale volzinnen met het grootste gemak uit: hier en daar spek ik het geheel wat aan met een meesterlijk vibratootje en als het mij schikt, begeleid ik mezelf door met mijn handen op mijn dijen te slaan. Mijn impromptuteksten zijn onweerstaanbaar poëtisch en het komt niet zelden voor, dat ik mezelf echt ontroer. Natuurlijk hou ik dat wel een beetje voor me.
Gek is het, want als ik het thuis probeer gaat het meteen een stuk minder: het heeft denk ik te maken met die op-en-neer-en-opcadans van de loopbeweging. En trouwens, oh wee als er iemand meeluistert! Dan gijzelt een onzekerheid mijn talenten ogenblikkelijk en mompel ik meestal 'nu even niet' en 'net verkouden geweest' en 'mijn zweethanden'.

Hier moest ik zijn. Nummer 265. De gordijn waren geel en dicht, maar doorzichtig. Erachter zag ik een lamp en een bank. Ik opende het lage tuinhekje en liep het gammele tuinpaadje op. Tegelijkertijd beëindigde ik het geïmproviseerde nummer, dat nu al een minuut of elf duurde, met een uitzinnige fluitsolo die ik perfect afsloot met het drukken op de bel. Ting-dong.

Hallo! riep ze, maar voordat ik terug kon halloen tikte er een naakte man op mijn schouder. "Wie niet werkt is niet eerlijk", zei hij, "maar wie wel werkt is óók niet eerlijk. Snap je?", en hij staarde in het niks. Ik haalde mijn neus op. "Heb jij trouwens mijn hondje gezien?", vroeg hij. Ik zei: "ja" en "daar" en de man slenterde in de richting van de vuilnisbakken, terwijl het zonlicht een eigenaardig schaduwspel speelde op zijn blote, wiebelende kont.

24-10-2008

pornosterrenhoofdjes

anaal liep ik over straat. de zon scheen mij bruinig tegemoet. de zonnestralen druppelden in lange slierten van de ramen. heel gek.
vanmorgen was ik opgestaan met een loeiende hoofdpijn en ik voelde me eg helemáál niet lekkah. heel gek. nouja, eigenlijk niet, want de dag ervoor was ik echt los gegaan op die beat.

ik heb verstand van tyfus. of, zoals je dat in het engels noemt, typhoid fever. mijn oma heeft herpes, maar ik niet. ik heb gewoon aids. als je ook aids hebt, geef me dan een belletje op 0900-zuigmijnbolus.
laatst wilde mijn vriendin mijn bolus zuigen. ik zei nee! nee! maar voordat ik het wist pakte ze er een enorme zuignap bij, en plantte hem rondom mijn tepel.
mijn rechtertepel is niet even groot als mijn linkertepel (kleiner) en ik loop dientengevolge scheef over straat.

scheef en anaal liep ik over straat. de maan gloeide heftig vibrerend mijn liezen in, niet onprettig. mijn moeder belde op. of ik worst lust. nou, zei ik, ik heb wel een rookworst voor je imme spijkerbroekkie! hehe. hehehe. geile slet. hehe.

ik liep over straat en ik struikelde, zodat mijn neus in de stront belandde. getverdemme, gelukkig bood een of ander wijf mij meteen een zakdoekje aan. of ik ook aan poepseks deed. nee. natuurlijk niet. dat zei ik. maar tegelijkertijd dacht ik: penetreer mijn vochtige, zompige moerasaars..

11-10-2008

Het Frerikstafereel

Hier volgt nu het eerste hoofdstuk van het waargebeurde, kort samengevatte reisverhaal van Carl Piccadilly. "Op weg naar Lourdes met de trein en andere middelen van beweging" dat in vijftien delen zal verschijnen op zijn eigen blog http://opwegnaarlourdes.blogspot.com/:

Toen ik vanmorgen de trein van tien voor heel betrad, vanaf het onlangs gerenoveerde Den Haag Centraal, was er nog vrij weinig aan de hand.Ik had weliswaar een ongelooflijke kramp aan mijn hiel, maar ik besteedde hier weinig aandacht aan omdat dergelijke dingen nou eenmaal wel eens gebeuren. Ik was de trein in gestapt en doorgelopen naar een rustige coupé. Anti-sociaal als ik ben houd ik niet van mensen om mij heen. Ik ging op een plekje achteraf zitten en liet mijn hoofd tegen de rugleuning rusten. Ook keek ik uit het raam. Nog steeds gebeurde er niets bijzonders en ik dacht net dat het misschien een rustige dag zou worden toen de treinconducteur galmend het woord nam.
"Beste dames" riep hij met overslaande stem, "we komen zodadelijk aan op Leiden Centraal."
Ik merkte dat de weinige mensen die deze coupé met mij deelden lichtelijk onrustig begonnen te worden. Dit maakte ik op uit het onrustige geroezemoes dat de ruimte nu vulde. De conducteur ging verder en waarlijk, het leek of er een lichte snik van tragiek in zijn stem verborgen lag.
"Na een korte stop zal deze trein verder rezen als intercity naar Amsterdam Centraal."
Ik sloot mijn ogen en zuchtte diep. Ergens hoorde ik een meisje huilen. De conducteur was nog steeds niet klaar en zijn stem begon in kracht toe te nemen en het was duidelijk dat hij zijn vibrerende toon probeerde te stabiliseren door het veelvuldig interumperend ademhalen dat hij tijdens zijn volgende zin beoefende.
"Reizigers voor de richting Leeuwarden, Groningen en Middelburg worden verzocht hier uit te stappen."
Het was alsof er een bom ontplofte. De ruimte vulde zich met geraaskal. Ergens stond een man op en brulde met gepassioneerde stem: "Waar is het toilet? Waar is het toilet verdomme! Ik moet poepen!"
Een andere man was zelfs op zijn stoel gaan staan en leek een willekeurige opvolging van woorden en zinnen uit te braken: "Kijk mij eens op een stoel staan" riep hij, en: "Ik heb hoogtevrees!"
Mijn aandacht werd afgeleid door twee dames van middelbare leeftijd die één bank voor mij naast elkaar hun stembanden als twee hanen tegen elkaar op probeerde te jutten.
"Ik duik meteen mijn bed in als ik straks thuis ben" zei de een fel.
"Ja het was een drukke dag" bracht de ander daar tegenin.
"Mijn Frank moet vandaag de hond maar uitlaten, want dat trek ik echt niet meer" zo sprak de een nu met stemverheffing.
"Ach gut, die arme man" gierde de ander nu boven alle tumult uit. En vervolgens begonnen ze vervreemdend te lachen. De stemmen in de trein leken tegen elkander aan te botsen en met echo's van afschrikwekkend formaat de muren los te trillen van de fundamenten die over de rails sjeesden als hellehonden. Het geluid pakte zich samen tegen het plafond van de coupé alwaar het nu kleur begon te kiezen en als een chemische gelige wolk langzaam naar beneden begon te zweven met het oneerbaar doel alle aanwezigen in hun slaap te verrassen.
Op dat moment stopte de trein abrupt en ik vloog van mijn stoel tegen de bank van de vrouwen voor mij die dit niet eens leken te merken. Snel stond ik op en pakte mijn jas. Dat was althans de bedoeling; hij was kwijt. Ik had hem net nog aangehad en nu was hij kwijt! Ik had hem niet eens uitgedaan en toen op mijn stoel gelegd maar hoe ik ook keek hij lag er niet. Ik vloekte geniepig en keek in het rond. Daar zag ik een bontmantel aan een vrouw hangen. Ik pakte haar op van haar stoel en bracht haar als een sjaal om mijn nek om geen kou te vatten.
Haastig verliet ik de trein om tien over heel. Mist teisterde het station in centraal Leiden. Ik zag geen hand voor ogen maar rende niettemin weg van dit mobiele rovershol. Weg van dit oerhollandse gebruik. Weg van deze stampot met rookworst en jus. Weg van dit restaurant voor goedkope toeristen. Weg van deze reusachtige klomp met delftsblauwe tinten. Weg van deze verlaten molen vol spoken en geesten. Weg van dit afgelegen huis op een heuvel van drijfzand. Weg van deze woonkamer vol spinrag en termietenheuvels. Weg van deze misselijkmakende insectenwereld. Weg uit deze dierentuin voor beginners. Weg uit deze wijk vol buitenlanders. Weg van dit postkoloniale dilemma. Weg voor de onvermijdelijke schaduw van de slavernij. Weg voor die negers. Hemel het werd al donker!

04-10-2008

Hear Tale Signs

Het Arameense firmament laaide 's nachts op als een bonte verzameling kermislichtjes.
Al jaren was dat een ergernis die met regelmaat leidde tot ingeschreven stukken in de Arameense Staatscourant.
"Elke nacht moet ik mijn ramen blinderen met de meest uitgebreide zorg", wanhoopte de een. "Nooit kan ik een stap buiten de deur zetten, of zelfs maar door een kier naar buiten gluren, zonder dat ik overspoeld raak met kitscherig kermislicht", zeurde de ander.
"Het is een verkrachting van je netvlies, het is een harde straal braaksel in je ogen, het is wild homo-erotisch", dat schreven ze ook, maar dat soort berichten werd niet geplaatst in de Staatscourant.

Tourisme werd een belangrijke inkomensbron, en ook de illegale circuits draaiden op volle toeren; de kinderen die er opgroeiden, herinnerden zich hun jeugd als een blije, kleurrijke kindertekening. Maar de rest vervloekte het hemellicht iedere avond grondig, en langzaam aan ontvolkte de streek waar het flikkerend gekleurde neonlicht de bevolking nacht op nacht uit zijn slaap hield.
En de Staatscourant ging failliet.

21-09-2008

ach wat leuk

het niemendalletje loopt over straat. zijn vingerige handen steken diep in zijn zakken en zijn kraag staat hoog opgeslagen. vaders stoten hun zoontjes stiekem aan. 'kijk, een niemandalletje! dat zie je ook niet vaak!' fluisteren ze. de zoontjes knikken en glimlachen. zij hebben er al wel eens eentje gezien op internet, maar in het echt is toch anders.

dan komt hij een vriend tegen. 'he gabber!', kwakkelt het niemendalletje, 'alles kits met je wijf en kids? ga je mee een broodje frikandel bloedbad halen bij Snekjan? fiftyfifty gewoon?'. maar de vriend negeert hem zo keihard, dat het niemendalletje ervan tegen de vlakte slaat. gelukkig is er een oud omaatje om hem overeind te helpen, want in zijn eentje was dat moeilijk geworden. dat komt natuurlijk door die specifieke traliebouw, die het niemendalletje eigen is! met slurpende stem roept hij BEDANKT maar het mensje hoort hem niet: ze luistert snoeiharde miles door haar enorme headset, die aan alle kanten rood en oranje flikkert op de maat van de beat.*

maar goed. wat niemand weet is dat het niemendalletje voordat hij de straat opging een viagrapil gepopt heeft. het heeft een buitengewoon raar effect op zijn gestel - uit zijn mouwen schieten constant wc-papiertjes en nu krimpt zijn mond in tot een klein zwartomlijnd puntje, zodat hij, eenmaal bij Snekjan, zijn broodje met woeste gebaren moet bestellen. ze kijken daar overigens niet raar van op. met al dat bajesvolk zijn ze wel vreemder gewend; bovendien is het meneer zijn vaste bestelling. het niemendalletje steekt het kleffe, ranzige broodje voorlopig in zijn broekzak, want eten wil even niet natuurlijk, en slentert richting amsterdam-zuid. de lantarenpalen waar hij langsloopt buigen door hun steeltjes en schieten dan weer -plonk!- terug in de houding, waardoor hij veel bekijks heeft onder de vrouwelijke straatpopulatie (de mannetjes zijn niet onder de indruk, die hebben het te druk met het strelen van hun eigen egootje. kijk, daar heeft er zelfs eentje een egootje - nou, zeg maar gerust ego - van twee meter tachtig! god, daar ben je mooi klaar mee, stel je voor. vergeet het maar je nachtrust.). en toen


*